Nieuws

Omzet- en winstcorrecties

  17-08-2017

Over zogenaamde afroommodules in kassasystemen is enkele jaren geleden veel te doen geweest. Met behulp van een dergelijk stuk software in een geautomatiseerde kassa is het mogelijk om transacties, die via de kassa verlopen, geheel of gedeeltelijk uit de omzet te halen. De Belastingdienst beschikt over een lijst met types van kassasystemen die voorzien zijn van of voorzien kunnen worden van een afroommodule. Wanneer de Belastingdienst constateert dat van een dergelijke module gebruik is gemaakt, kan dat gevolgen hebben voor de omzetbelasting, de inkomstenbelasting en de vennootschapsbelasting.

De Belastingdienst heeft aan een bv naheffingsaanslagen omzetbelasting en navorderingsaanslagen vennootschapsbelasting opgelegd. De bv exploiteert een wokrestaurant en maakte gebruik van een kassasysteem dat een afroommodule had. Bij een controle van het kassasysteem is vastgesteld dat de afroommodule ook is gebruikt. Daardoor is een deel van de behaalde omzet niet in de administratie verwerkt. Volgens de Belastingdienst waren de aandeelhouders van de bv de personen die de afroommodule gebruikten om zo bedragen aan winst buiten de boeken te houden. De winstcorrecties bij de bv werden als uitdelingen van winst aan de aandeelhouders betrokken in navorderingsaanslagen inkomstenbelasting. Tegelijk met de naheffingsaanslagen en navorderingsaanslagen werden vergrijpboetes opgelegd aan de bv en de aandeelhouders.

In de procedures over de naheffings- en navorderingsaanslagen is de bewijslast omgekeerd en verzwaard omdat niet de vereiste aangiften zijn gedaan. De rechtbank stelde dat vast aan de hand van de constateringen van aanwezigheid en gebruik van de afroommodule in het kassasysteem. De verklaring van de aandeelhouders dat een werknemer degene zou zijn geweest die de afroommodule had gebruikt voor eigen gewin vond de rechtbank niet aannemelijk. Het is volgens de rechtbank niet gebruikelijk dat een ondernemer de kassa-afsluiting volledig en zonder enige controle aan een werknemer overlaat.

De opgelegde naheffings- en navorderingsaanslagen bleven in stand, omdat de door de inspecteur gehanteerde schattingen van de verzwegen omzet redelijk waren. De bv en haar aandeelhouders zijn er niet in geslaagd om aan de verzwaarde bewijslast te voldoen. Wel heeft de rechtbank de boetes verminderd, ten eerste omdat de grondslag daarvoor is bepaald met toepassing van omkering van de bewijslast en ten tweede wegens overschrijding van de redelijke termijn van behandeling van de zaken.

Lees meer

Hoger beroep ontbinding arbeidsovereenkomst

  17-08-2017

Tegen een beschikking waarbij de kantonrechter een arbeidsovereenkomst ontbindt, staat hoger beroep bij het gerechtshof open. Het hoger beroep moet worden ingesteld binnen drie maanden na de dag van de uitspraak van de kantonrechter. Wordt het hoger beroep later ingesteld, dan zal het gerechtshof het beroep in beginsel niet-ontvankelijk verklaren.

De termijn van drie maanden na de uitspraak geldt ook wanneer de beschikking van de kantonrechter voorwaardelijk is, omdat de indiener de gelegenheid krijgt om het verzoek in te trekken. Ongeacht of het verzoek tot ontbinding wordt ingetrokken of niet heeft de kantonrechter definitief beslist op dat verzoek. Alleen de uitkomst is afhankelijk van de vervulling van de voorwaarde. De termijn wordt niet verlengd met de periode waarbinnen het verzoek om ontbinding kan worden ingetrokken.
Omdat termijnen waarbinnen rechtsmiddelen moeten worden ingesteld van openbare orde zijn, moet de rechter deze ambtshalve toepassen. Dat betekent dat de rechter altijd moet beoordelen of tijdig beroep of hoger beroep is ingesteld, ongeacht of een van de partijen een beroep heeft gedaan op overschrijding van de termijn. Alleen onder bijzondere omstandigheden kan een uitzondering op de termijn worden gemaakt.

Lees meer

Aansprakelijkheid werkgever

  17-08-2017

Als hoofdregel geldt dat de werkgever aansprakelijk is voor de schade die een werknemer tijdens het uitvoeren van zijn werk oploopt. Er geldt een uitzondering op de hoofdregel als de werkgever kan aantonen dat hij voldoende voorzorgsmaatregelen heeft getroffen. Een andere uitzondering geldt voor schade die het gevolg is van opzet of bewuste roekeloosheid van de werknemer. Welke maatregelen een werkgever moet treffen om te voorkomen dat de werknemer in de uitoefening van zijn werkzaamheden schade lijdt, hangt af van de omstandigheden van het geval.

De werkgever heeft de verplichting om zijn werknemers te voorzien van goede instructies, zodat zij weten hoe zij veilig kunnen werken. Dat geldt ook als het werk eenvoudig is. Juist bij eenvoudig werk komt voor dat de werknemer minder oplettend en voorzichtig is. De werkgever moet daar rekening mee houden bij het geven van veiligheidsinstructies.

Lees meer

Ontbinding arbeidsovereenkomst wegens disfunctioneren

  10-08-2017

Een werkgever kan de kantonrechter verzoeken de arbeidsovereenkomst met een werknemer te ontbinden wegens disfunctioneren. In de terminologie van de wet gaat het dan om ongeschiktheid van de werknemer om de bedongen arbeid te verrichten door een andere oorzaak dan ziekte of gebreken. Ontbinding op die grond is alleen mogelijk als voldoende vaststaat dat sprake is van disfunctioneren, de werkgever de werknemer daarvan tijdig in kennis heeft gesteld, hem de gelegenheid heeft gegeven om zijn functioneren te verbeteren en de ongeschiktheid niet het gevolg is van onvoldoende scholing of van de arbeidsomstandigheden. Is aan al deze voorwaarden voldaan, dan zal vervolgens aannemelijk moeten zijn dat het niet mogelijk is om de werknemer in een andere passende functie te herplaatsen.

Casus
In een procedure oordeelde de kantonrechter dat de werkgever voldoende onderbouwd had dat een werknemer niet over de voor de functie vereiste vaardigheden beschikte. Het ging om houding, gedrag en wijze van communiceren, zowel richting collega’s als richting klanten. De werknemer was daar meerdere keren op aangesproken, maar had daar niets mee gedaan. Daar kwam bij dat de resultaten van de werknemer niet voldeden aan de doelstellingen. De kantonrechter was verder van oordeel dat de werkgever de werknemer voldoende tijd en gelegenheid had gegeven om zich te verbeteren. De procedure betrof een senior manager. Volgens de kantonrechter mag van iemand op dat functieniveau worden verwacht dat hij in staat is om aan de hand van ontvangen feedback een verbeterplan met concrete doelen op te stellen. Uit een dergelijk verbeterplan moet blijken dat de werknemer begrijpt en erkent dat verbetering van zijn functioneren nodig is en dat hij gemotiveerd is om die verbeterpunten aan te pakken. De werknemer in deze procedure was daartoe niet in staat gebleken. De kantonrechter vond voldoende aannemelijk dat het de werknemer ontbrak aan vermogen tot zelfreflectie en daardoor aan het vereiste leervermogen om de vereiste vaardigheden te verwerven of te verbeteren. De enige vacature van de werkgever betrof een vergelijkbare functie op senior managementniveau. De kantonrechter achtte herplaatsing in een passende andere functie niet mogelijk en ontbond de arbeidsovereenkomst.

Lees meer

Internetconsultatie publicatie vergrijpboeten

  10-08-2017

In een brief aan de Tweede Kamer over de aanpak van belastingontduiking heeft de staatssecretaris van Financiën het voornemen geuit om het opleggen van vergrijpboeten aan juridische beroepsbeoefenaren, die betrokken zijn bij belastingontduiking, te publiceren. Hoewel de staatssecretaris zich ervan bewust is dat openbaarmaking van opgelegde vergrijpboeten aan advocaten, notarissen of belastingadviseurs ingrijpend is voor de betrokken beroepsbeoefenaar, vindt hij het maatschappelijk belang bij openbaarheid zwaarder wegen dan het belang van de beboete adviseur bij geheimhouding. Het spreekt volgens de staatssecretaris vanzelf dat deze maatregel een preventieve werking zal hebben.

Er is inmiddels een internetconsultatie geopend over de voorgenomen publicatie van opgelegde boeten. De consultatie omvat vijf vragen, met het verzoek aan belangstellenden deze gemotiveerd te beantwoorden. Het gaat om de volgende vragen:

  1. Dienen er voorwaarden te worden gesteld waaronder niet tot openbaarmaking van de vergrijpboete wordt overgegaan? Zo ja, welke?
  2. Dienen bijvoorbeeld uitsluitend vergrijpboeten boven een minimaal boetebedrag openbaar gemaakt te worden? In het laatste geval, wat zou het niveau van zo’n minimum dienen te zijn?
  3. Maakt het voor de vraag of tot openbaarmaking van de vergrijpboete moet worden overgegaan uit of de juridische beroepsbeoefenaar een wettelijk beschermd beroep uitoefent?
  4. Wanneer moet de opgelegde vergrijpboete openbaar gemaakt worden? Direct nadat de vergrijpboete onherroepelijk vaststaat?
  5. Via welk medium moeten de opgelegde vergrijpboeten openbaar gemaakt worden (bijvoorbeeld in de Staatscourant, een landelijk dagblad of op een website)?

Reacties kunnen tot 28 september geplaatst worden op https://www.internetconsultatie.nl/aanpakbelastingontduiking/reageren

Lees meer

Afschrijvingstermijn bepalend voor afboeking herinvesteringsreserve

  10-08-2017

Ondernemers die een bedrijfsmiddel verkopen voor een hogere prijs dan de boekwaarde, kunnen de belastingheffing over de meeropbrengst boven de boekwaarde uitstellen door het vormen van een herinvesteringsreserve. Een ondernemer die een herinvesteringsreserve wil vormen moet wel het voornemen hebben om tot herinvestering over te gaan. De herinvesteringsreserve wordt geheel of gedeeltelijk afgeboekt op de aanschafprijs van door de ondernemer aangeschafte bedrijfsmiddelen.
Afboeking van een herinvesteringsreserve op bedrijfsmiddelen, waarop niet pleegt te worden afgeschreven of waarvan de afschrijvingstermijn langer is dan tien jaar, is alleen toegestaan voor zover de reserve is gevormd bij de verkoop van bedrijfsmiddelen met eenzelfde economische functie in de onderneming.

Afschrijvingstermijn bepalend voor afboeking herinvesteringsreserve
Een vennootschap onder firma (vof) verkocht haar melkquota en nam de behaalde boekwinst op in een herinvesteringsreserve. De vof kocht vervolgens een zonnepaneleninstallatie. De herinvesteringsreserve werd afgeboekt op de aanschafprijs van deze installatie. De Belastingdienst corrigeerde de afboeking van de herinvesteringsreserve. Er volgde een procedure bij de rechtbank waarin aan de orde was wat de afschrijvingstermijn van de installatie was. De lengte van de afschrijvingstermijn is van belang voor het antwoord op de vraag of de herinvesteringsreserve kon worden afgeboekt op de aanschafprijs.

De rechtbank was van oordeel dat afschrijvingstermijn van de zonnepaneleninstallatie langer was dan tien jaar. Voor de bepaling van de economische levensduur zijn de garantieperiode en de terugverdientijd van de investering niet bepalend. Het is maatschappelijk niet gebruikelijk dat garanties worden gegeven voor de gehele levensduur van bedrijfsmiddelen. Verder is gebruikelijk dat een bedrijfsmiddel na afloop van de terugverdientijd nog steeds economisch rendabel is. Ook de technische ontwikkelingen van zonnepanelen in de afgelopen jaren hadden volgens de rechtbank niet tot gevolg dat de economische levensduur van een bestaande zonnepaneleninstallatie maximaal tien jaar zou bedragen. Afboeking van de herinvesteringsreserve op de aanschafkosten van de zonnepaneleninstallatie was niet toegestaan.

Lees meer

Alsnog recht op zwangerschaps- en bevallingsuitkering

  03-08-2017

De Centrale Raad van Beroep, de hoogste Nederlandse rechter op het terrein van sociale verzekeringen, heeft geoordeeld dat vrouwelijke zelfstandigen die tussen 2004 en 2008 zijn bevallen, recht hebben op een zwangerschaps- en bevallingsuitkering. Hoewel de Nederlandse wetgeving in die periode niet voorzag in een dergelijke uitkering, hebben vrouwelijke zelfstandigen op grond van het VN-Vrouwenverdrag recht op bevallingsverlof met behoud van inkomen. Dat verdrag bepaalt dat iedere vrouw die inkomensvormende arbeid verricht, recht heeft op enige vorm van bevallingsverlof met behoud van een zeker inkomen.

Wettelijke regelingen
Op 1 januari 1998 is de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen (WAZ) in werking getreden. De WAZ was een verplichte verzekering voor zelfstandigen, die onder meer recht gaf op een zwangerschaps- en bevallingsuitkering. Op 1 december 2001 is de Wet arbeid en zorg (Wazo) in werking getreden. De Wazo voorzag in een recht op uitkering in verband met zwangerschap en bevalling voor vrouwelijke zelfstandigen. Per 1 augustus 2004 is de publiekrechtelijke verzekering van zelfstandigen voor arbeidsongeschiktheid beëindigd. Het recht van zelfstandigen op een uitkering wegens zwangerschap en bevalling kwam daardoor te vervallen. De overweging was dat vrouwelijke zelfstandigen zich voor dat risico particulier konden verzekeren. Sinds de inwerkingtreding van de Wet zwangerschaps- en bevallingsuitkering zelfstandigen (Wet ZEZ) op 4 juni 2008 hebben vrouwelijke zelfstandigen in verband met hun zwangerschap en bevalling recht op een uitkering gedurende ten minste zestien weken. Vrouwelijke zelfstandigen, die vóór de datum van inwerkingtreding van de Wet ZEZ zijn bevallen, hebben geen recht op een uitkering.

Het VN-Vrouwenverdrag
De Centrale Raad van Beroep ziet de bepaling in het VN-Vrouwenverdrag, die recht op bevallingsverlof met behoud van inkomen geeft, als een bepaling die in ieder geval een minimumresultaat nastreeft. De Nederlandse Staat heeft zich niet gehouden aan de verplichting om dit minimumresultaat te bereiken en te behouden door de bestaande regeling zonder overgangsregeling en zonder vervangende regeling af te schaffen. De Centrale Raad van Beroep ziet niet in waarom met de afschaffing van de WAZ ook het recht op een zwangerschaps- en bevallingsuitkering uit de Wazo geschrapt moest worden. De intrekking van die regeling is in strijd met het VN-Vrouwenverdrag.

Gevolg
De Centrale Raad van Beroep vindt het te vroeg om de intrekking van de bepaling uit de Wazo of de invoering van het artikel in de Wet ZEZ, dat terugwerkende kracht voorkomt, onverbindend te verklaren. De mogelijkheid bestaat immers dat de Staat op een andere wijze aan haar verdragsverplichting jegens de betrokkenen zal willen voldoen. De Centrale Raad van Beroep heeft het UWV opgedragen om binnen zestien weken na 27 juli te voldoen aan de verplichting die het VN-Vrouwenverdrag aan de Staat oplegt.

Lees meer

Toepassing reisaftrek

  03-08-2017

Wie in loondienst werkzaam is, heeft recht op reisaftrek als hij zijn woon-werkverkeer met openbaar vervoer aflegt. De met openbaar vervoer afgelegde afstand enkele reis tussen woning en plaats van werkzaamheden moet meer dan 10 kilometer bedragen om recht te hebben op de reisaftrek.

Een belastingplichtige vond het niet toekennen van de reisaftrek een vorm van niet toegestane discriminatie, omdat hij door zijn werktijden geen gebruik kon maken van het openbaar vervoer. Daardoor was hij gedwongen om met de auto naar zijn werk te gaan. Er is niet snel sprake van discriminatie. De wetgever heeft op fiscaal gebied een ruime beoordelingsvrijheid bij het beantwoorden van de vraag of gevallen gelijk zijn en of er een objectieve en redelijke rechtvaardiging bestaat om gelijke gevallen toch verschillend te regelen. Zolang het niet gaat om onderscheid op basis van aangeboren kenmerken van een persoon moet het oordeel van de wetgever worden geaccepteerd, tenzij dat oordeel niet op een redelijke grond berust.

De wetgever heeft met de reisaftrek het woon-werkverkeer per auto terug willen dringen en het reizen met openbaar vervoer willen stimuleren. Daarom is de reisaftrek alleen van toepassing op regelmatig woon-werkverkeer, waarbij de reisafstand geheel of gedeeltelijk per openbaar vervoer is afgelegd. Deze keuze van de wetgever is volgens Hof Arnhem-Leeuwarden niet onredelijk en moet daarom gerespecteerd worden.

Lees meer

Mogelijkheid intrekking ontbindingsverzoek

  03-08-2017

Mag de kantonrechter de gelegenheid geven om een verzoek tot ontbinding in te trekken omdat hij van plan is een transitievergoeding toe te kennen? Volgens een werknemer mag dat niet. In hoger beroep voerde de werknemer aan dat de wet de mogelijkheid om het verzoek in te trekken alleen biedt bij het voornemen tot toekenning van een billijke vergoeding en niet bij een transitievergoeding.

In deze casus heeft de kantonrechter de arbeidsovereenkomst met een werknemer, die al ruim twee jaar arbeidsongeschikt was, voorwaardelijk ontbonden wegens een verstoorde arbeidsverhouding. De kantonrechter kende bij ontbinding een transitievergoeding van € 74.312 toe. De werkgever had gevraagd om ontbinding zonder toekenning van een transitievergoeding. De werkgever heeft gebruik gemaakt van de mogelijkheid het verzoek tot ontbinding in te trekken.

Hof Den Bosch is van oordeel dat de kantonrechter de verzoeker de mogelijkheid tot intrekking moet geven wanneer de kantonrechter voornemens is een billijke vergoeding toe te kennen. De wet sluit niet uit dat de kantonrechter de gelegenheid geeft het verzoek in te trekken wanneer geen sprake is van het voornemen om een billijke vergoeding toe te kennen. De wet verbiedt intrekking niet en stelt intrekking ook niet afhankelijk van toestemming van de wederpartij. Volgens het hof had de kantonrechter in dit geval voldoende reden en aanleiding voor een voorwaardelijke beschikking. In het geval van een slapend dienstverband na twee jaar arbeidsongeschiktheid is het niet onredelijk om het dienstverband aan te houden om geen transitievergoeding te hoeven betalen.

Lees meer

Maximum uurprijzen kinderopvang 2018

  27-07-2017

De maximum uurprijzen voor kinderopvang en de toetsingsinkomens voor de kinderopvangtoeslag voor 2018 zijn bekendgemaakt. De maximum uurprijs voor dagopvang in 2018 bedraagt € 7,45. Voor buitenschoolse opvang gaat de maximum uurprijs naar € 6,95 en voor gastouderopvang naar € 5,91. De inkomensgrens, waarbij voor het eerste kind het minimum aan kinderopvangtoeslag wordt bereikt, stijgt van € 99.999 naar € 101.971.

Gefaseerde aanpassing
De minister van Sociale Zaken heeft in een brief aan de Tweede Kamer gezegd dat hij wijzigingen in de kwaliteitseisen voor de kinderopvang gefaseerd in wil voeren. De versoepeling van de beroepskracht-kindratio voor kinderen van zeven jaar en ouder en de aanscherping van de beroepskracht-kindratio voor nuljarigen wil de minister per 1 januari 2019 in werking laten treden. Om die reden worden de maximum uurprijzen voor de dagopvang en buitenschoolse opvang gefaseerd aangepast. De eerste aanpassing vindt plaats per 1 januari 2018 en de volgende per 1 januari 2019.

De maximum uurprijs voor de dagopvang wordt per 1 januari 2018 met € 0,07 verhoogd. De eisen aan de inzet van pedagogisch beleidsmedewerkers en de aanscherping van de beroepskracht-kindratio voor nuljarigen worden per 1 januari 2019 ingevoerd. Ter compensatie daarvan zal de maximum uurprijs voor de dagopvang per 1 januari 2019 worden verhoogd met € 0,25. De maximum uurprijs voor de buitenschoolse opvang wordt per 1 januari 2018 verhoogd met € 0,08. Vanwege de versoepeling van de eisen aan de inzet van pedagogisch beleidsmedewerkers en van de beroepskracht-kindratio voor kinderen vanaf zeven jaar per 1 januari 2019 wordt de maximum uurprijs voor buitenschoolse opvang per 1 januari 2019 verlaagd met € 0,34.

Indexatie
Mogelijk worden de maximum uurprijzen voor de dagopvang en de buitenschoolse opvang per 1 januari 2019 geïndexeerd. Daarom kunnen de maximum uurprijzen per 1 januari 2019 nu nog niet bekend worden gemaakt.

Lees meer

Gastouder kan ondernemer zijn

  26-07-2017

Winst uit onderneming is het totale bedrag van de voordelen die iemand verkrijgt uit een onderneming. Of sprake is van een onderneming hangt af van de duurzaamheid en omvang van de werkzaamheden, de grootte van de brutobaten, de winstverwachting, het lopen van ondernemersrisico, de beschikbare tijd, de bekendheid die naar buiten aan de activiteit wordt gegeven, het aantal opdrachtgevers en de omvang van de investeringen.

Hof Den Haag merkte de activiteiten van een gastouder aan als onderneming. De gastouder was met haar activiteiten in 2007 begonnen. Via drie geregistreerde gastouderbureaus sloot de gastouder overeenkomsten met ouders. Zij verrichtte haar activiteiten op meerdere dagen per week en ving zes tot zeven kinderen op van drie tot vier ouderparen. Aan de eisen van duurzaamheid, omvang, beschikbare tijd en het aantal opdrachtgevers was voldaan. Ten aanzien van de omvang van de brutobaten en de winstverwachting nam het hof de stijging in de jaren 2013 tot en met 2015 mede in aanmerking. Het hof vond het lopen van ondernemersrisico aannemelijk. De gastouder liep debiteurenrisico en inkomensrisico. De gastouder was verder aansprakelijk voor eventuele schade die ontstond tijdens de door haar verzorgde opvang. Om haar bekendheid naar buiten te vergroten maakte de gastouder gebruik van een eigen website, een facebookpagina, visitekaartjes en mond-tot-mondreclame. De beperkte omvang van de investeringen vond het hof inherent aan de aard van de activiteiten, die plaatsvonden op het woonadres van de gastouder.

Lees meer

Versoepeling financieringseisen hypotheek aangekondigd

  26-07-2017

De Tijdelijke regeling hypothecair krediet stelt de inkomenscriteria voor het verstrekken van hypotheekleningen en de maximale hoogte van het hypothecair krediet ten opzichte van de waarde van de woning vast. De regeling wordt op een aantal onderdelen gewijzigd. Met ingang van 2018 mag een nieuwe hypoteeklening niet hoger zijn dan 100% van de waarde van de woning.

De financieringsruimte voor tweeverdieners wordt verruimd. Bij de berekening van het financieringslastpercentage wordt vanaf 2018 uitgegaan van het hoogste toetsinkomen plus 70% van het lagere toetsinkomen. Nu is het deel van het lage inkomen dat wordt meegenomen in de berekening nog 60%. 

Geldverstrekkers mogen bij de berekening van de werkelijke en de toegestane financieringslast uitgaan van de aangeboden rente als de rentevastperiode korter is dan tien jaar en de lening aan het einde van de rentevastperiode is afgelost. In een dergelijk geval bestaat voor de consument immers geen risico op hogere maandlasten door een rentestijging. Daarom hoeft de geldverstrekker niet de door de Autoriteit Financiële Markten gepubliceerde gemiddelde rente te gebruiken voor deze berekening.

De wijzigingen treden op 1 januari 2018 in werking.

Lees meer

Internetconsultatie maatregelen belastingontduiking

  26-07-2017

Het ministerie van Financiën heeft een internetconsultatie geopend over voorgestelde maatregelen tegen belastingontduiking. De maatregelen zijn gericht op constructies die niet illegaal zijn maar maatschappelijk gezien wel ongewenst. Het gaat om vier invorderingsmaatregelen ter bestrijding van in de praktijk geregeld voorkomende invorderingsconstructies. Twee maatregelen verruimen de mogelijkheden om derden aansprakelijk te stellen. De andere twee maatregelen moeten formele drempels bij de aansprakelijkstelling wegnemen door een nieuwe manier van bekendmaking van een belastingaanslag aan ontbonden rechtspersonen en uitbreiding van de informatieplicht tot vermoedelijk aansprakelijken.

1. Aansprakelijkheid van begunstigden
De voorgestelde maatregel bevat een regeling van aansprakelijkheid van begunstigden van een handeling als voldaan is aan de volgende vereisten:
1) De handeling is onverplicht verricht.
2) De Belastingdienst is door die handeling benadeeld in zijn verhaalsmogelijkheden.
3) De belastingschuldige en de begunstigde hebben wetenschap van de benadeling.

2. Uitbreiding verhaalsmogelijkheden op erfgenamen
Het maximumbedrag waarvoor erfgenamen met betrekking tot belasting- of aansprakelijkheidsschulden van de erflater aansprakelijk zijn wordt verhoogd. De verhoging bestaat uit het bedrag dat de erfgenaam van de erflater heeft verkregen door een schenking die kort voor het overlijden van de erflater is gedaan.

3. Alternatieve wijze van bekendmaking aanslag
Voordat een derde aansprakelijk kan worden gesteld voor een belastingschuld, moet de aanslag waaruit de schuld voortvloeit, rechtsgeldig bekend zijn gemaakt. Is de belastingschuldige een ontbonden en vereffende rechtspersoon, dan moet de rechter de vereffening eerst heropenen voordat de aanslag rechtsgeldig bekend gemaakt kan worden. Bij een rechtspersoon naar buitenlands recht is dit niet altijd mogelijk. Dat is aanleiding om een alternatieve wijze van bekendmaking van een belastingaanslag aan (vermoedelijk) niet meer bestaande rechtspersonen in te voeren. De ontvanger kan de belastingaanslag bekend maken door het aanslagbiljet uit te reiken of te versturen aan het Openbaar Ministerie van de rechtbank waaronder de laatst bekende vestigingsplaats van de rechtspersoon ressorteert of van de rechtbank Den Haag. Een kopie van het aanslagbiljet wordt gepubliceerd in de Staatscourant en uitgereikt aan de laatst bekende bestuurder, aandeelhouder en vereffenaar van de rechtspersoon.

4. Uitbreiding informatieverplichting
De bestaande informatieplicht voor belastingschuldigen en aansprakelijk gestelden gaat ook gelden voor de (vermoedelijk) aansprakelijke die nog niet formeel door de Belastingdienst aansprakelijk is gesteld. In de praktijk is de bestaande informatieplicht niet altijd voldoende om te bepalen of iemand aansprakelijk gesteld kan worden voor een belastingschuld. De voorgestelde uitbreiding van de informatieplicht geldt uitsluitend voor zover de gevraagde informatie van belang kan zijn voor de invordering.

Belangstellenden kunnen reageren op de voorstellen tot en met 28 september 2017 via http://www.internetconsultatie.nl/aanpakbelastingontduiking.

Lees meer

Vrijstelling overdrachtsbelasting voor aandelen in onroerendgoed-bv

  20-07-2017

Bij de verkrijging van in Nederland gelegen onroerende zaken moet overdrachtsbelasting worden betaald. Aandelen in een rechtspersoon, waarvan de bezittingen grotendeels bestaan uit onroerende zaken, worden aangemerkt als onroerende zaak. Dat geldt alleen als de activiteiten van de rechtspersoon bestaan uit het verkrijgen, vervreemden of exploiteren van onroerende zaken. De maatstaf van heffing bij de verkrijging van aandelen in een dergelijke rechtspersoon is niet de waarde van de aandelen, maar de waarde van de onroerende zaken die door die aandelen wordt vertegenwoordigd. De achtergrond van deze bijzondere regeling is voorkomen dat de heffing van overdrachtsbelasting wordt ontgaan door de inbreng van een onroerende zaak in een rechtspersoon, waarvan de aandelen worden overgedragen.

Er geldt een vrijstelling van overdrachtsbelasting voor de verkrijging door een kind van een ondernemer van goederen die behoren tot de onderneming als het kind de bedrijfsvoering voortzet. Deze vrijstelling moet fiscale belemmeringen voor de overdracht van een onderneming van ouders aan hun kinderen wegnemen.

De rechtbank heeft onlangs geoordeeld dat de verkrijging van de aandelen in een onroerendgoed-bv door de dochter van de dga is vrijgesteld van overdrachtsbelasting. De bv dreef een materiële onderneming. Wanneer de vastgoedportefeuille van de bv als eenmanszaak zou zijn gedreven, was de overdracht van de onderneming vrijgesteld van overdrachtsbelasting. Volgens de rechtbank is met de wetsfictie, die aandelen aanmerkt als een onroerende zaak, niet bedoeld om belasting te heffen in een geval waarin verkrijging van de onroerende zaak zelf zou zijn vrijgesteld.

Lees meer

Loonkostenvoordelen treden op 1 januari 2018 in werking

  20-07-2017

De Wet tegemoetkomingen loondomein (Wtl) vormt de bestaande premiekortingen voor oudere uitkeringsgerechtigden en mensen met een arbeidsbeperking om tot loonkostenvoordelen. De Wtl is in 2015 in het Staatsblad geplaatst. De inwerkingtreding van de diverse loonkostenvoordelen wordt bij koninklijk besluit geregeld. Loonkostenvoordelen zijn tegemoetkomingen aan werkgevers voor het in dienst nemen van werknemers uit deze doelgroepen.

Loonkostenvoordeel
Het loonkostenvoordeel voor een oudere werknemer of voor een arbeidsgehandicapte werknemer bedraagt op jaarbasis maximaal € 6.000. Voor de doelgroep banenafspraak wordt het maximum € 2.000 per jaar. Deze bedragen worden omgerekend in een vast bedrag per verloond uur. Dat komt neer op de volgende bedragen:

  • loonkostenvoordeel oudere werknemer: € 3,05;
  • loonkostenvoordeel arbeidsgehandicapte werknemer: € 3,05;
  • loonkostenvoordeel doelgroep banenafspraak: € 1,01.

Er bestaat geen recht op het loonkostenvoordeel wanneer na beëindiging van een dienstbetrekking binnen zes maanden een dienstbetrekking tussen dezelfde werkgever en werknemer tot stand komt. De bepalingen uit de Wtl, die betrekking hebben op de loonkostenvoordelen, treden op 1 januari 2018 in werking. Het koninklijk besluit dat de inwerkingtreding regelt is inmiddels in het Staatsblad gepubliceerd.

Lage-inkomensvoordeel
De maximale hoogte van het lage-inkomensvoordeel is € 2.000 per jaar bij een jaarloon van 100 tot 110% van het wettelijk minimumloon en € 1.000 per jaar bij een jaarloon van 110% tot 120% van het wettelijk minimumloon. Het lage-inkomensvoordeel wordt per verloond uur toegekend:

  • bij een gemiddeld uurloon tussen € 9,66 en € 10,63 is het lage-inkomensvoordeel per uur € 1,01;
  • bij een gemiddeld uurloon tussen € 10,63 en € 12,08 is het lage-inkomensvoordeel per uur € 0,51.

Het lage-inkomensvoordeel wordt alleen toegekend bij banen voor ten minste 24 uur per week. Er geldt geen leeftijdsondergrens maar wel een bovengrens. Dat is de AOW-leeftijd omdat voor AOW-gerechtigde werknemers geen premies voor de werknemersverzekeringen betaald hoeven te worden. Het lage-inkomensvoordeel is op 1 januari 2017 van toepassing geworden.

Lees meer

Inkeerregeling wordt afgeschaft per 1 januari 2018

  20-07-2017

De inkeerregeling is bedoeld om belastingplichtigen, die een onjuiste of onvolledige aangifte hebben gedaan, ertoe te bewegen alsnog een juiste aangifte te doen. De inkeerregeling houdt in dat bij navordering van belasting geen boete wordt opgelegd aan een belastngplichtige die op eigen initiatief alsnog openheid van zaken geeft. Aanvankelijk gold de regeling voor alle belastingjaren. Met ingang van 2 juli 2009 is de termijn, waarbinnen geen boete wordt opgelegd, beperkt tot uiterlijk twee jaar na het tijdstip waarop een aangifte is gedaan of had moeten worden gedaan. Bij latere inkeer wordt de boete gematigd. In de afgelopen jaren is de na matiging resterende vergrijpboete buiten deze periode al een aantal maal verhoogd, sinds 1 juli 2016 tot 120% van de nagevorderde belasting wanneer het gaat om vermogen in box 3.

De staatssecretaris van Financiën geeft uitvoering aan zijn voornemen om de inkeerregeling af te schaffen. Dat gebeurt in het Belastingplan 2018. Datum van ingang is 1 januari 2018. Vanaf die datum geldt is inkeer zonder boete niet meer mogelijk.

Lees meer

Internetconsultatie aanpassing laag tarief btw voor geneesmiddelen

  20-07-2017

Voor geneesmiddelen geldt het verlaagde btw-tarief van 6%. In een arrest uit 2016 heeft de Hoge Raad een ruimere uitleg gegeven aan het begrip geneesmiddel dan de wetgever voor ogen stond. Volgens dat arrest kwalificeren zonnebrandmiddelen met UVA- of UVB-filter en natriumfluoridehoudende tandpasta als geneesmiddel. Het verlaagde btw-tarief is daardoor in meer gevallen van toepassing. Het kabinet stelt nu voor om de definitie van geneesmiddel in de Wet OB 1968 aan te passen. Vrijstelling geldt voor die geneesmiddelen waarvoor een handelsvergunning volgens de Geneesmiddelenwet is verleend of niet is vereist, met de bestaande uitbreiding voor voorbehoedsmiddelen, infusievloeistoffen en voor geneeskundige doeleinden bestemde inhalatiegassen. De voorgestelde regeling ligt tot 14 augustus a.s. ter consultatie. Het is de bedoeling dat de gewijzigde tekst per 1 januari 2018 in de wet wordt opgenomen.

Lees meer

Geen verlenging restschuldregeling

  13-07-2017

In 2013 stond 36% van de koophuizen in Nederland onder water. Dat wil zeggen dat de hypotheekschuld hoger was dan de waarde van de woning op dat moment. Eind 2016 was dit afgenomen tot bijna 18%. De verwachting is dat dit percentage zal dalen als gevolg van stijgende huizenprijzen en van maatregelen die zijn genomen op de woningmarkt. Ook de omvang van restschulden zal dalen.

Een van de maatregelen, die destijds is getroffen ter bestrijding van de gevolgen van de financiële crisis, is de restschuldregeling. Deze maatregel loopt op 31 december 2017 af. De restschuldregeling houdt in dat de rente over de na verkoop van een eigen woning resterende schuld in aftrek kan worden gebracht gedurende maximaal 15 jaar. De regeling had verbetering van de doorstroming op de woningmarkt als doel.

De staatssecretaris van Financiën verwacht dat het aantal huizen dat onder water staat eind 2017 weer op het niveau van voor de crisis zal zijn. Daarom is hij niet van plan om de restschuldregeling te verlengen.

Lees meer

Kostendelersnorm AOW verdwijnt uit de wet

  13-07-2017

Alleenstaande AOW’ers hebben recht op een uitkering ter hoogte van 70% van het wettelijk minimumloon. Echtparen en samenwonenden hebben per persoon recht op een AOW-uitkering van 50% van het wettelijk minimumloon, omdat zij bepaalde kosten zoals huisvestingskosten kunnen delen.

In het regeerakkoord van het huidige kabinet was een bezuinigingsmaatregel opgenomen, die inhield dat de lagere AOW-uitkering ook zou gelden voor alleenstaande AOW’ers die samenwonen met een kind. Nadat eerder al was toegezegd deze kostendelersnorm in de AOW niet in te voeren, heeft de ministerraad er nu mee ingestemd om het wetsartikel over de kostendelersnorm uit de wet te halen. Het niet invoeren van de kostendelersnorm kost structureel € 214 miljoen.

Lees meer

Innovatiebox goedgekeurd

  13-07-2017

De staatssecretaris van Financiën heeft de Tweede Kamer geïnformeerd over de ontwikkelingen betreffende de innovatiebox.

De Europese Gedragscodegroep onderzoekt belastingmaatregelen, die mogelijk schadelijke belastingconcurrentie inhouden en daarom onder de EU-Gedragscode inzake de belastingregeling voor ondernemingen vallen. De Gedragscodegroep heeft de aangescherpte Nederlandse innovatiebox goedgekeurd. Daarmee staat vast voor de staatssecretaris dat de innovatiebox een internationaal aanvaard instrument is voor de stimulering van innovatieve activiteiten door bedrijven.

Ook de aanvulling van de lijst van juridische tickets met biologische gewasbeschermingsmiddelen is akkoord bevonden. In verband met het onder de innovatiebox brengen van biologische gewasbeschermingsmiddelen gaat de energie-investeringsaftrek (EIA) omlaag naar 55%. Dat gebeurt met terugwerkende kracht vanaf 1 januari 2017. De daartoe benodigde ministeriële regeling is op 30 juni 2017 in de Staatscourant gepubliceerd.

Lees meer

Bezwaar en beroep in compromis uitgesloten

  06-07-2017

Een belastingplichtige maakte in een inkeerverzoek melding van in Zwitserland aangehouden vermogen. De tegoeden op de Zwitserse bankrekeningen zijn niet vermeld in de aangiften IB over de jaren 2002 tot en met 2012. In reactie op verzoek stelde de Belastingdienst een vaststellingsovereenkomst op, waarin onder meer stond dat het inkeerverzoek als vrijwillige verbetering van reeds ingediende aangiften is aangemerkt. De na te vorderen inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen over de jaren 2002 tot en met 2012 en de heffingsrente over de belasting en premie zijn uit praktische overwegingen in één navorderingsaanslag over 2008 verwerkt. De vaststellingsovereenkomst bevatte verder de bepaling dat tegen de navorderingsaanslag geen bezwaar en/of beroep zal worden aangetekend.

Desondanks ging de belastingplichtige in beroep tegen de navorderingsaanslag, omdat deze niet met de nodige voortvarendheid zou zijn opgelegd. Dat zou moeten leiden tot vernietiging van de navorderingsaanslag. De vaststellingsovereenkomst is door de belastingplichtige op 26 maart 2014 ondertekend. De navorderingsaanslag is opgelegd met dagtekening 31 januari 2015. Volgens de belastingplichtige heeft de inspecteur te lang gewacht met het opleggen van de navorderingsaanslag. De rechtbank legt de vaststellingsovereenkomst zo uit dat de belastingplichtige uitdrukkelijk en zonder voorbehoud afstand heeft gedaan van alle rechtsmiddelen tegen de navorderingsaanslag, ook voor zover die zien op de toepassing van de verlengde navorderingstermijn. Naar het oordeel van de rechtbank betekent dit dat een beroep op de voortvarendheidseis is uitgesloten.

Lees meer

Vervolgonderzoek aanpassing heffing in box 3

  06-07-2017

De staatssecretaris van Financiën heeft een vervolgonderzoek uit laten voeren naar de mogelijkheden voor belastingheffing in box 3 op basis van het werkelijk behaalde rendement. In het vervolgonderzoek is ook gekeken naar mogelijke aanpassingen om binnen het huidige forfaitaire systeem te komen tot een heffing die beter aansluit bij de werkelijk behaalde rendementen. Het rapport van dit nadere onderzoek is nu aan de Tweede Kamer aangeboden.

Belangrijkste conclusie onderzoek
De belangrijkste conclusie van het vervolgonderzoek is dat de in het eerdere rapport beschreven varianten voor burgers, financiële instellingen en de Belastingdienst qua uitvoering structureel problematisch zijn. Deze varianten zijn een vermogensaanwasbelasting, een vermogenswinstbelasting en een forfaitaire heffing over de individuele vermogensmix. Een vermogensaanwasbelasting en een vermogenswinstbelasting sluiten voor inkomen uit spaartegoeden en beleggingsproducten aan bij de werkelijke rendementen. Het verschil tussen beide varianten is het moment waarop belasting wordt geheven. Bij een vermogensaanwasbelasting worden de vermogensmutaties jaarlijks in de heffing betrokken. Bij een vermogenswinstbelasting worden de vermogensmutaties belast op het moment van realisatie. Langdurig uitstel van belastingheffing is in deze laatste optie mogelijk. Dat kan leiden tot sterk wisselende belastingopbrengsten. Een vermogensaanwasbelasting voorkomt uitstel van belastingheffing, maar leidt tot wisselende belastinginkomsten, doordat waardemutaties direct doorwerken in de heffing.

Haalbare variant
De meest haalbare variant lijkt een aangepaste versie van de huidige forfaitaire regeling. Aanpassingen van rendementspercentages, de gewichten van sparen en beleggen in de vermogensmix per vermogensschijf, de lengte van de vermogensschijven, het heffingvrije vermogen en het proportionele tarief zijn relatief eenvoudig aan te brengen. Op die manier wordt beter aangesloten bij het werkelijke rendement. Dergelijke wijzigingen kunnen op korte termijn worden doorgevoerd. Kleine spaarders kunnen worden ontzien door:

  • het heffingvrije vermogen te verhogen;
  • het forfaitair rendement sneller te laten aansluiten op de actuele rendementen;
  • in de eerste vermogensschijf alleen het spaarrendement in aanmerking te nemen.

Het aanpassen binnen het huidige systeem zou door opname in het Belastingplan 2018 per 1 januari 2018 al kunnen gebeuren.

Kabinetsreactie
De staatssecretaris onthoudt zich van inhoudelijk commentaar op het rapport. De keuze voor een heffing in box 3, die beter aansluit bij de werkelijk behaalde rendementen, moet door een nieuw kabinet gemaakt worden.

Lees meer

Twee conclusies A-G over naheffingsaanslag aan ontbonden vof

  06-07-2017

De advocaat-generaal bij de Hoge Raad (A-G) heeft twee conclusies gewijd aan een procedure over een naheffingsaanslag en een boete die zijn opgelegd aan een inmiddels ontbonden vennootschap onder firma (vof). De A-G is in de eerste conclusie van mening dat beide terecht zijn opgelegd en dat het beroep in cassatie van de vof ongegrond moet worden verklaard.

Een eenmanszaak werd op 1 oktober 2009 met terugwerkende kracht tot 1 januari 2009 omgezet in een vof, die vervolgens per 31 december 2009 is ontbonden. De vof heeft in 2009 auto’s aan werknemers ter beschikking gesteld. Bij de inhouding van loonheffing is geen rekening gehouden met een bijtelling voor privégebruik van de auto’s. De inspecteur heeft aan de vof een naheffingsaanslag over 2009 opgelegd met een boete. De rechtbank heeft het beroep tegen de naheffingsaanslag ongegrond verklaard en de boete verminderd in verband met verlaging van de schuldkwalificatie tot grove schuld. Ook het hoger beroep is ongegrond verklaard.
Het hof verwierp de stelling dat de boete moest vervallen omdat de vof was ontbonden. Volgens het hof verkeren de voormalige vennoten na de ontbinding van de vof niet in de onmogelijkheid om zich te verdedigen.
In cassatie tegen de uitspraak van het hof wordt aangevoerd dat het hof er geen rekening mee heeft gehouden dat aan een niet-bestaand lichaam, zoals de ontbonden vof, opgelegde aanslagen en beschikkingen nietig zijn. De A-G bij de Hoge Raad is van mening dat, nu de vof op het tijdstip waarop het loon werd genoten nog niet was ontbonden en dus verplicht was de loonbelasting over het privégebruik auto te betalen, zij degene is aan wie de naheffingsaanslag moest worden opgelegd. Niet van belang is volgens de A-G dat de vof op het moment van opleggen van de naheffingsaanslag al was ontbonden. De belastingaanslag is niets anders dan de formalisering van een bestaande belastingschuld. Omdat de vennoten tegen de aan de vof opgelegde boete bezwaar en beroep konden instellen en zich daartegen dus kunnen verdedigen, is ten aanzien van de boete gen sprake van strijd met het Europees Verdrag ter bescherming van de Rechten van de Mens.

Opmerkelijk is dat de A-G in de tweede, aanvullende conclusie meent dat het beroep in cassatie gegrond verklaard moet worden met verwijzing van de zaak voor nader feitelijk onderzoek. De reden voor deze aanvullende conclusie is dat in de op 1 oktober 2009 gesloten oprichtingsovereenkomst van de vof staat dat deze is aangevangen op 1 oktober 2009. Op 31 december 2009, de datum van ontbinding van de vof, is een aanvullende overeenkomst gesloten waarin staat dat, in tegenstelling tot de oprichtingsovereenkomst, de vennoten de intentie hebben gehad om per 1 januari 2009 een vof aan te gaan. De aanvullende overeenkomst is pas ondertekend op 7 januari 2011. Dat roept de vraag op of het mogelijk is om achteraf een vof eerder te doen ingaan.

In beginsel is het voor de samenwerkende vennoten niet mogelijk een vof op te richten met terugwerkende kracht. Dat zou in strijd zijn met de eisen van een ordelijk handelsverkeer. Omdat in de oprichtingsovereenkomst van de vof geen ander tijdstip is bepaald dan dat van de overeenkomst zelf, geldt die datum, 1 oktober 2009, als startdatum van de vof. De gewenste terugwerkende kracht, zoals vastgelegd in de aanvullende overeenkomst, brengt daar geen verandering in.
Volgens de A-G moet aan de hand van feiten en omstandigheden worden bepaald of de vof feitelijk reeds heeft bestaan voor de datum van de oprichtingsakte. Daarvoor is verwijzing naar een feitelijke instantie nodig.

Lees meer

Dga van Belgische bvba

  06-07-2017

Volgens de Advocaat-Generaal bij de Hoge Raad (A-G) mag Nederland belasting heffen over het salaris van een in België wonende dga van een naar Belgisch recht opgerichte bvba, die in Nederland werkzaamheden heeft verricht voor een Nederlandse bv. De werkzaamheden werden feitelijk verricht door de dga van de bvba. De dga werd in België betrokken in de heffing van de personenbelasting. De A-G is van mening dat de fictiefloonregeling van de Nederlandse loonbelasting kan worden toegepast.

Op grond van het belastingverdrag met België mag Nederland belasting heffen over het inkomen van een inwoner van België wanneer hij in een kalenderjaar ten minste 183 dagen in Nederland heeft verbleven. Volgens de A-G gaat het daarbij niet alleen om werkdagen, maar ook om andere dagen waarop een werknemer fysiek aanwezig is in de werkstaat. Of aan deze eis is voldaan hebben de rechtbank en het hof niet vastgesteld. Deze beide instanties hebben alleen het aantal werkdagen van de dga vastgesteld. Dat aantal was minder dan 183 dagen. Op dit punt concludeert de A-G tot verwijzing om het aantal verblijfsdagen in Nederland vast te stellen.

Volgens de A-G moet onder het begrip loon het loon voor de loonbelasting worden verstaan. Het fictieve loon maakt deel uit van het loonbegrip. De fictiefloonregeling is van toepassing op een werknemer met een aanmerkelijk belang in de zin van de Wet IB 2001. De aanmerkelijkbelangregeling is van toepassing op belangen in een vennootschap waarvan het kapitaal geheel of ten dele in aandelen is verdeeld. De A-G is van mening dat noch uit de wettekst, noch uit de parlementaire geschiedenis volgt dat het moet gaan om een vennootschap naar Nederlands recht. Ook een Belgische bvba kwalificeert als een vennootschap waarvan het kapitaal geheel of ten dele in aandelen is verdeeld. Omdat de dga een aanmerkelijk belang heeft in de bvba moet zijn loon voor de Nederlandse loonbelasting worden bepaald met toepassing van de fictiefloonregeling.

Lees meer

Aanzegverplichting einde tijdelijk dienstverband

  06-07-2017

Een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd eindigt na het verstrijken van de periode waarvoor de overeenkomst is aangegaan. Opzegging is niet nodig voor het einde van de arbeidsovereenkomst. Wel is de werkgever wettelijk verplicht om een werknemer met een tijdelijk arbeidscontract mee te delen of zijn arbeidsovereenkomst zal worden voortgezet of niet. Deze mededeling moet ten minste een maand voor het aflopen van het contract schriftelijk worden gedaan. De werkgever die zich niet houdt aan deze aanzegplicht, moet de werknemer een vergoeding betalen die gelijk is aan een maandsalaris. Een mondelinge mededeling is niet voldoende. Dat blijkt uit de volgende procedure.

De kantonrechter heeft onlangs op verzoek van een werknemer diens voormalige werkgever veroordeeld tot betaling van een vergoeding. De werkgever had zich niet aan de aanzegverplichting gehouden. De arbeidsovereenkomst eindigde op 31 januari 2017. Dat betekende dat de werkgever voor 1 januari 2017 de werknemer schriftelijk had moeten informeren over de voortzetting of beëindiging van zijn arbeidsovereenkomst. Op 27 januari 2017 heeft de werkgever mondeling meegedeeld dat het contract niet verlengd zou worden. Dat was te laat en niet schriftelijk.

Lees meer

Wederindiensttredingsvoorwaarde

  29-06-2017

Toestemming van het UWV om de arbeidsovereenkomst met een werknemer wegens bedrijfseconomische redenen op te zeggen wordt verleend met toepassing van de wederindiensttredingsvoorwaarde. Deze voorwaarde houdt in dat de werkgever, wanneer hij binnen 26 weken iemand wil aannemen voor de werkzaamheden die de ontslagen werknemer verrichtte, eerst de ontslagen werknemer de kans moet bieden om zijn oude baan weer te vervullen voordat hij een ander mag aannemen. Houdt de werkgever zich niet aan deze voorwaarde, dan kan de ontslagen werknemer de kantonrechter verzoeken om de opzegging van de arbeidsovereenkomst te vernietigen of om de werkgever te verplichten om een billijke vergoeding aan hem te betalen. Dat verzoek moet gedaan worden binnen twee maanden na de dag waarop de werknemer op de hoogte is geraakt van het overtreden van de wederindiensttredingsvoorwaarde. Wordt het verzoek te laat gedaan, dan kan de kantonrechter het verzoek niet ontvankelijk verklaren.

Lees meer

Vergoeding uitstel levering

  29-06-2017

Bij de levering van een in Nederland gelegen onroerende zaak wordt overdrachtsbelasting geheven van de verkrijger. De overdrachtsbelasting wordt berekend over de waarde van de onroerende zaak, waarbij de waarde ten minste gelijk is aan de waarde van de tegenprestatie. De tegenprestatie is het totaal van de prestaties waartoe de verkrijger zich bij de koop heeft verbonden om de onroerende zaak te verkrijgen.

Volgens de rechtbank is de vergoeding die een koper betaalt aan de verkoper om uitstel van de levering van de onroerende zaak te bewerkstelligen een deel van de tegenprestatie. Dat betekent dat over deze vergoeding overdrachtsbelasting verschuldigd is. Volgens de koopovereenkomst had de koper het recht om de levering tegen een vergoeding van € 200.000 met een maand uit te stellen. In totaal mocht de koper de levering drie maanden uitstellen. De akte van levering van de notaris merkte het extra betaalde bedrag van € 600.000 aan als onderdeel van de tegenprestatie voor de levering waarover overdrachtsbelasting berekend moest worden. De rechtbank sloot zich daarbij aan.

Lees meer

Lening niet onzakelijk

  29-06-2017

Een geldlening tussen gelieerde partijen is onzakelijk als er geen rente kan worden bepaald waaronder een onafhankelijke derde bereid zou zijn geweest deze lening te verstrekken onder dezelfde voorwaarden en omstandigheden. Indien de rente zodanig moet worden aangepast dat de lening winstdelend zou worden, wordt een debiteurenrisico gelopen dat een onafhankelijke derde niet zou hebben genomen. Behoudens bijzondere omstandigheden wordt er dan van uitgegaan dat de geldgever dit risico heeft aanvaard met de bedoeling het belang van de gelieerde partij te dienen. Een verlies op een als onzakelijk aangemerkte geldlening komt niet in mindering op de winst of het inkomen van de geldverstrekker. Er is sprake van een bijzondere omstandigheid als tussen schuldeiser en schuldenaar een zakelijke relatie bestaat die ook zonder concernrelatie voor de schuldeiser aanleiding zou zijn geweest om een lening onder dezelfde voorwaarden en omstandigheden te verstrekken. Of een lening onzakelijk is wordt in eerste instantie beoordeeld naar het moment van het aangaan van de lening. Een zakelijke lening kan gedurende haar looptijd door handelen van de crediteur alsnog onzakelijk worden. De bewijslast voor onzakelijkheid van een lening ligt bij de inspecteur.

In het kader van een fusie ontstond een vordering van een van de aandeelhouders op een deelneming van € 3,3 miljoen wegens gedeclareerd dividend. De deelneming was op dat moment in staat om de gehele schuld af te lossen met door de bank verstrekte liquide middelen. In totaal had de bank voor een bedrag van € 18,9 miljoen aan leningen verstrekt. De deelneming loste slechts een deel van haar schuld af, waardoor een vordering van € 1,5 miljoen resteerde. Na verloop van tijd werd overeengekomen dat met ingang van 1 januari 2006 geen rente meer zou worden berekend en dat aflossing alleen zou plaatsvinden bij verkoop van alle aandelen in de deelneming op voorwaarde van een vooraf bepaalde minimum opbrengst. Bij de latere verkoop werd deze opbrengst niet gerealiseerd. De geldverstrekker wilde de lening afboeken ten laste van de winst. De inspecteur weigerde dat omdat naar zijn mening de lening onzakelijk was.

Volgens het hof was geen sprake van een debiteurenrisico dat een onafhankelijke derde niet zou hebben genomen. Gezien de omvang van de verstrekte leningen had de bank vertrouwen in het slagen van de fusie. De overeengekomen rente op de resterende dividendvordering was hoger dan de rente die de bank had bedongen. Het ontbreken van zekerheden en van een concreet aflossingsschema vond het hof van onvoldoende belang om de vordering als onzakelijk aan te merken. De inspecteur is er volgens het hof niet in geslaagd om aannemelijk te maken dat in deze casus geen rente kon worden bepaald waaronder een onafhankelijke derde bereid zou zijn geweest eenzelfde lening te verstrekken onder overigens dezelfde voorwaarden en omstandigheden. De lening mocht voor het volledige bedrag van € 1,5 miljoen ten laste van de winst worden afgewaardeerd.

Lees meer

Berekening belastingrente

  29-06-2017

Bij het opleggen van een belastingaanslag kan belastingrente worden berekend. Dat kan ook wanneer een negatieve voorlopige aanslag inkomstenbelasting wordt herzien in een positieve voorlopige aanslag. In dat geval wordt belastingrente berekend over het verschil tussen het positieve en het negatieve bedrag. De berekening van belastingrente gaat niet eerder in dan zes maanden na het tijdvak waarover de belasting wordt geheven en eindigt op de dag voorafgaand aan de dag waarop het verschil invorderbaar is. Wanneer de herziening is vastgesteld overeenkomstig een verzoek van de belastingplichtige, eindigt het tijdvak waarover de belastingrente wordt berekend uiterlijk 14 weken na de datum van ontvangst van het verzoek. Wanneer de herziening is vastgesteld overeenkomstig de ingediende aangifte voor het tijdvak waarover de belasting wordt geheven, eindigt het tijdvak waarover de belastingrente wordt berekend uiterlijk 19 weken na de datum van ontvangst van de aangifte.

Op grond van de door een belastingplichtige ingediende aangifte inkomstenbelasting legde de Belastingdienst een negatieve voorlopige aanslag aan hem op van ruim € 1 miljoen. Bij de uitbetaling van dit bedrag is volgens de wettelijke regels geen belastingrente vergoed. Nadat de belastingplichtige een verbeterde aangifte inkomstenbelasting had ingediend legde de inspecteur een voorlopige aanslag op met een te betalen bedrag van ongeveer € 1,1 miljoen. Daarbij werd belastingrente berekend over een tijdvak van bijna 1 jaar. De belastingplichtige was het niet eens met het in rekening brengen van belastingrente, ook al omdat hij per saldo minder dan drie maanden de beschikking had gehad over het uitbetaalde bedrag.

Hof Arnhem-Leeuwarden oordeelde dat het niet mogelijk is op grond van de redelijkheid of de billijkheid de wet niet toe te passen. Het hof kwam wel enigszins tegemoet aan de wens van de belastingplichtige. De belastingplichtige had voor het indienen van de verbeterde aangifte een verzoek om herziening van de voorlopige aanslag ingediend. Rekening houdend met de datum waarop dat verzoek was gedaan, verminderde het hof de periode waarover belastingrente berekend werd met twee weken. Voor een verdere vermindering zag het hof geen aanleiding. De door de wetgever gestelde termijn waarbinnen de inspecteur een verzoek om herziening moet behandelen is volgens het hof in het algemeen redelijk.

Lees meer

Kosten keuring onderdeel scholingskosten

  29-06-2017

De kosten voor een opleiding die iemand volgt met het oog op het verwerven van inkomen zijn aftrekbaar voor zover ze meer bedragen dan de niet aftrekbare drempel van € 500.

Een piloot maakte kosten om zijn vliegbrevet te behouden. Onderdeel daarvan was een bedrag van € 229 voor een medische keuring. Aanvankelijk weigerde de inspecteur aftrek van de gemaakte kosten. In beroep stond de rechtbank aftrek wel toe. De inspecteur bestreed in hoger beroep de aftrek van de keuringskosten als scholingskosten. Volgens de inspecteur staan de kosten van de keuring in een te ver verwijderd verband met de opleiding om ze als scholingskosten in aftrek te kunnen brengen.
Hof Arnhem-Leeuwarden deelt de opvatting van de rechtbank. Het is niet mogelijk om het lesprogramma ter behoud van het vliegbrevet te volgen zonder medische keuring. Dat betekent dat de kosten van de keuring in een rechtstreeks verband staan met de gevolgde opleiding. De omstandigheid dat piloten jaarlijks in het kader van hun beroep en dus los van een opleiding medisch dienen te worden gekeurd, doet daar niet aan af.

Lees meer

Wijzigen Arbeidsomstandighedenwet

  22-06-2017

Per 1 juli 2017 is de gewijzigde Arbeidsomstandighedenwet in werking getreden. De wet is op de volgende onderdelen aangepast:

  1. De positie van de preventiemedewerker is versterkt.
  2. De adviserende rol van de bedrijfsarts is verduidelijkt.
  3. Werknemers hebben recht op een consult van de bedrijfsarts.
  4. De positie van de bedrijfsarts en andere arbodienstverleners is verbeterd.
  5. Het basiscontract arbodienstverlening is ingevoerd.

De positie van de preventiemedewerker
Een van deze verplichtingen uit de Arbeidsomstandigheden wet is het aanstellen van een preventiemedewerker. Tot de taken van de preventiemedewerker behoort het opstellen van de risico-inventarisatie en -evaluatie. Om de betrokkenheid bij de keuze van de preventiemedewerker te vergroten heeft het medezeggenschapsorgaan van het bedrijf instemmingsrecht over de persoon en positie van de preventiemedewerker. Het medezeggenschapsorgaan wordt daardoor medeverantwoordelijk voor het functioneren van de preventiemedewerker.

De rol van de bedrijfsarts bij verzuimbegeleiding
De werkgever is verantwoordelijk voor de verzuimaanpak. De bedrijfsarts heeft daarin een ondersteunende rol. Om te voorkomen dat de bedrijfsarts de belangen van de werkgever zwaarder laat wegen dan de gezondheid van de werknemer is de adviserende rol van de bedrijfsarts duidelijker omschreven in de wet.

Consult bij de bedrijfsarts
Iedere werknemer heeft de mogelijkheid om een bedrijfsarts te consulteren. De bedoeling daarvan is dat werknemers de bedrijfsarts consulteren voordat klachten leiden tot verzuim. Toestemming van de werkgever voor een consult is niet nodig. De werkgever mag niet geïnformeerd worden over het consult, de aanleiding daartoe of de uitkomsten van het consult.

Basiscontract arbodienstverlening
De wet stelt minimumeisen aan het contract tussen arbodienstverleners en werkgevers. Het basiscontract omvat de wettelijke taken waarbij een werkgever zich moet laten ondersteunen door een arbodienst. De wet bevat vier specifieke rechten en verplichtingen die moeten bijdragen aan een goede beroepsuitoefening door de bedrijfsarts.

  1. De werkgever moet de bedrijfsarts de gelegenheid geven om iedere werkplek te bezoeken.
  2. De bedrijfsarts moet de werknemer de mogelijkheid bieden om een second opinion te vragen.
  3. De bedrijfsarts moet een klachtenprocedure hebben.
  4. De bedrijfsarts en andere arbodeskundigen hebben het recht om met het medezeggenschapsorgaan te overleggen.

Deze rechten en verplichtingen worden in de overeenkomst tussen werkgever en bedrijfsarts uitgewerkt.

Lees meer

Uitleg regeling belastingrente

  22-06-2017

De staatssecretaris van Financiën heeft Kamervragen over de belastingrente beantwoord. Door het systeem van vergoeden en in rekening brengen van belastingrente wordt minder rente vergoed door de Belastingdienst dan in rekening wordt gebracht. Er wordt namelijk niet meer automatisch rente vergoed aan een belastingplichtige die na afloop van het jaar een bedrag terugkrijgt. De hoofdregel is dat de Belastingdienst alleen rente vergoedt als zij niet tijdig beslist op een aangifte of een verzoek. De staatssecretaris kan zich voorstellen dat belastingplichtigen de regeling belastingrente onrechtvaardig vinden. In het verleden werd wel rente vergoed en was het mogelijk om te "sparen" bij de Belastingdienst.

Naast de regeling belastingrente bestaat de regeling invorderingsrente. De ontvanger vergoedt invorderingsrente als een uit te betalen bedrag niet binnen zes weken is uitbetaald of verrekend. Vergoeding van invorderingsrente vindt niet plaats als het aan de belastingplichtige is te wijten dat de uitbetaling niet tijdig kan plaatsvinden. Wanneer een verzoek om uitstel van betaling is geweigerd, wordt bij latere vermindering of vernietiging van de aanslag, waarop het verzoek betrekking heeft, invorderingsrente vergoed.

Lees meer

Kamervragen verplichte hypotheekrenteaftrek

  22-06-2017

De staatssecretaris van Financiën heeft Kamervragen over de verplichte hypotheekrenteaftrek beantwoord. De staatssecretaris bevestigt dat het mogelijk is dat iemand per saldo inkomstenbelasting moet betalen over de eigen woning door de beperking van de hypotheekrenteaftrek in de hoogste tariefschijf. De bijtelling voor de eigen woning is in dergelijke situatie tegen het normale tarief belast, terwijl de aftrek van hypotheekrente tegen een lager tarief plaatsvindt. Het effect van deze tariefmaatregel wordt vooral duidelijk wanneer tegelijk een andere maatregel van toepassing is. Deze andere maatregel voorkomt een bijtelling bij het inkomen wanneer het eigenwoningforfait hoger is dan de betaalde hypotheekrente. Volgens de staatssecretaris was dit effect bij de invoering van de tariefmaatregel al duidelijk. Er is destijds een amendement ingediend om dit te voorkomen, maar dat amendement is niet aangenomen.

Bij de behandeling van de tariefmaatregel in de Tweede Kamer heeft de staatssecretaris geschreven dat belastingplichtigen ervoor kunnen kiezen om de kosten van de eigen woning vanaf 2014 niet in box 1 in aftrek te brengen. Volgens de staatssecretaris wordt die opmerking ten onrechte opgevat als een keuzemogelijkheid voor belastingplichtigen om betaalde hypotheekrente al dan niet in aftrek te brengen. Die keuze is er niet, al is er wel een keuze om de schuld niet in box 1 maar in box 3 te laten vallen. Wanneer de schuld in box 3 valt, is de rente niet aftrekbaar in box 1. Een schuld gaat naar box 3 wanneer deze niet voldoet aan de voorwaarden voor een eigenwoningschuld. De staatssecretaris wijst erop dat de wettelijke systematiek onveranderd is en dat het beleid van het ministerie ook niet is gewijzigd. Iedere belastingplichtige is verplicht om zijn aangifte juist en volledig in te vullen. Dit geldt ook voor aftrekposten. Het niet opnemen van een aftrekpost in een aangifte zal niet snel leiden tot het opleggen van een boete, omdat er meestal geen heffingsbelang is voor de Belastingdienst is. Bij de eigen woning kan per saldo wel sprake zijn van een heffingsbelang.

Op de vraag of hij zelf alle regels rondom de hypotheekrenteaftrek begrijpt, antwoordt de staatssecretaris dat de regels complex zijn. Voor een gedetailleerd uitgeschreven uiteenzetting verwijst de staatssecretaris naar de tekst van de Wet IB 2001.

Lees meer

Geen hoge vrijstelling erfbelasting

  22-06-2017

De erfbelasting kent een hoge vrijstelling voor de partner. Niet iedereen komt in aanmerking voor het partnerschap. Bloedverwanten in de rechte lijn worden niet als partners aangemerkt, tenzij de bloedverwant in de eerste graad een mantelzorgcompliment heeft genoten omdat hij in het jaar voor het jaar van overlijden zorg aan de erflater heeft verleend.

Naar het oordeel van Hof Arnhem-Leeuwarden is toepassing van de partnervrijstelling terecht achterwege gelaten bij de vaststelling van een aanslag erfbelasting, die werd opgelegd aan een zoon van de overledene. De zoon en de vader voerden gezamenlijk een huishouding, tot het overlijden van de vader. De zoon voldeed niet aan de voorwaarde dat hem in verband met de zorg voor zijn vader een mantelzorgcompliment is verleend. Het hof wees het beroep op toepassing van het gelijkheidsbeginsel af. De staatssecretaris van Financiën heeft in een besluit goedgekeurd dat bij een overlijden in 2010 of 2011 de eis van het genieten van een mantelzorgcompliment niet in alle gevallen geldt. De door de staatssecretaris aangevoerde reden voor de goedkeuring deed zich in de jaren na 2011 niet meer voor. Overigens was ook niet voldaan aan de andere voorwaarden die aan toepassing van de goedkeurende regeling werden gesteld.

Lees meer

Omvang loondoorbetalingsverplichting

  22-06-2017

Werkgevers zijn verplicht gedurende de eerste twee jaar van ziekte het loon van een zieke werknemer door te betalen. In de wet is geregeld welk deel van het loon in ieder geval betaald moet worden. In het eerste ziektejaar moet de werkgever minstens 70% van het loon, maar niet minder dan het wettelijk minimumloon doorbetalen. Na het eerste jaar vervalt de eis dat niet minder dan het wettelijk minimumloon doorbetaald moet worden. De eis dat minstens 70% van het loon wordt doorbetaald blijft wel in stand. In een cao kan worden vastgelegd dat een hoger bedrag dan het wettelijk minimum wordt betaald. De verplichting om het loon door te betalen kan worden verlengd als de werkgever zich niet houdt aan de verplichting om de werknemer zo snel mogelijk in het arbeidsproces te laten re-integreren.

Hoogte loon bij verlengde doorbetalingsverplichting
Aan een werkgever die niet aan zijn re-integratieverplichtingen voor een arbeidsongeschikte werknemer had voldaan, werd door het UWV een loonsanctie opgelegd. De werkgever moest daardoor het loon van de werknemer in diens derde ziektejaar doorbetalen. Omdat de werkgever niet aan die verplichting voldeed, vorderde de werknemer in kort geding betaling van loon. Volgens de geldende cao had de werknemer in het tweede ziektejaar recht op 90% van zijn loon. De kantonrechter veroordeelde de werkgever tot doorbetaling van 90% van het loon, rekening houdend met de in de cao afgesproken verhogingen per 1 juli 2016 en per 1 januari 2017. In hoger beroep bestreed de werkgever dat hij 90% van het loon moest betalen. Het hof honoreerde het standpunt van de werkgever en verlaagde de doorbetalingsverplichting tot 70% van het loon. Volgens het hof is dat bedrag het uitgangspunt voor de wettelijke regeling van de loondoorbetalingsverplichting bij ziekte. Het hof acht aannemelijk dat de bodemrechter tot eenzelfde oordeel komt.

Lees meer

Uitspraak collectief bezwaar btw over privégebruik van een auto

  15-06-2017

De Belastingdienst heeft sinds 2011 circa twee miljoen bezwaarschriften ontvangen in verband met de omzetbelasting inzake het privégebruik van een auto van de zaak. Deze bezwaarschriften hebben geleid tot een viertal procedures. In afwachting van de uitkomst van deze procedures zijn de overige bezwaarschriften aangehouden. De staatssecretaris heeft deze bezwaarschriften aangemerkt als massaal bezwaar. De Belastingdienst ging er tot nu toe vanuit dat de omvang van het privégebruik uit de administratie van een belastingplichtige moet blijken. Als dat niet het geval is, kan de ondernemer de forfaitaire regeling toepassen. De forfaitaire regeling houdt in dat bij de aangifte omzetbelasting over het laatste tijdvak van een kalenderjaar 2,7% van de waarde van de auto als omzetbelasting over het privégebruik wordt afgedragen.

De Hoge Raad heeft op 21 april 2017 arrest gewezen in de vier procedures. De Hoge Raad heeft voor het aantonen van het daadwerkelijke privégebruik nadere regels gegeven. Wanneer de administratie van een ondernemer geen gegevens bevat waaruit de omvang van het privégebruik is af te leiden en toepassing van de forfaitaire regeling tot een te hoge btw-heffing leidt, moet de omvang van het privégebruik in redelijkheid worden bepaald. De ondernemer zal in een dergelijk geval gegevens moeten verstrekken over de omvang van het privégebruik.
Na de arresten van de Hoge Raad heeft de inspecteur een collectieve uitspraak gedaan op de ingediende bezwaarschriften. Deze uitspraak is gepubliceerd in de Staatscourant en op www.belastingdienst.nl. In de collectieve uitspraak worden de bezwaren ongegrond verklaard met uitzondering van de bezwaren inzake de lagere, werkelijke omvang van het privégebruik auto. De inspecteur biedt in de uitspraak een termijn van zes weken voor de nadere motivering van het bezwaarschrift. Tegen de collectieve uitspraak kan geen beroep worden ingesteld.

Lees meer

Status reactie verzoek fiscale eenheid omzetbelasting

  15-06-2017

Op grond van de Algemene wet inzake rijksbelastingen kan bezwaar of beroep worden ingesteld tegen een belastingaanslag of een voor bezwaar vatbare beschikking. De vraag of de afwijzing van een verzoek om uitbreiding van een fiscale eenheid voor de omzetbelasting een beschikking is, waartegen bezwaar kan worden gemaakt, beantwoordt Hof Den Haag bevestigend. Volgens de Wet op de omzetbelasting merkt de inspecteur ondernemers die in financieel, organisatorisch en economisch opzicht een eenheid vormen, bij voor bezwaar vatbare beschikking aan als één ondernemer. De beslissing op een verzoek om uitbreiding van een bestaande fiscale eenheid valt naar het oordeel van het hof onder dezelfde bepaling van de Wet op de omzetbelasting.

Eerder had de rechtbank het bezwaar niet ontvankelijk verklaard. Volgens de rechtbank was de beslissing op het verzoek om uitbreiding van de fiscale eenheid geen voor bezwaar vatbare beschikking. De inspecteur had het verzoek afgewezen, omdat niet was voldaan aan de eis van onderlinge financiële, organisatorische en economische verwevenheid. De rechtbank moet nu nogmaals beslissen in deze zaak.

Lees meer

Nettoloon in rekening-courant

  15-06-2017

Loon wordt geacht te zijn genoten op het tijdstip waarop het is ontvangen, verrekend, ter beschikking gesteld, rentedragend of vorderbaar en inbaar is geworden. Het verrekenen van het nettoloon in een rekening-courantverhouding tussen een bv en haar dga is volgens de rechtbank een vorm van genieten van het loon. Bepalend daarvoor vond de rechtbank dat over de rekening-courantschuld rente is berekend, die in de aangiften IB en Vpb is begrepen, en dat de ingehouden loonheffingen zijn afgedragen.

In de aangiften inkomstenbelasting voor de jaren 2013 en 2014 van een dga waren bedragen aan loon opgenomen. Het loon was afkomstig van de bv. De aangiften bevatten ook bedragen aan ingehouden loonheffingen. Nadat de aanslagen waren opgelegd in overeenstemming met de ingediende aangiften, maakte de dga daartegen bezwaar. De bezwaren zijn door de inspecteur afgewezen. Volgens de rechtbank heeft de dga door de omzetting van het loon in een rekening-courantvordering de beschikkingsmacht over het nettoloon gekregen. Daarmee heeft de dga het nettoloon genoten. Volgens de rechtbank is de inspecteur terecht uitgegaan van het in rekening-courant verwerkte bedrag aan loon. De dga heeft niet aannemelijk gemaakt dat het loon ten tijde van de omzetting een lagere waarde had of dat de rekening-courant vordering een lager waarde had dan in de jaarrekeningen en in de aangiften was opgenomen.

Lees meer

Hof kent in hoger beroep transitievergoeding toe

  15-06-2017

Ontslag op staande voet vereist een dringende reden. De werkgever, die een werknemer op staande voet wil ontslaan, moet het ontslag en de dringende reden onverwijld meedelen aan de betrokken werknemer. Als de werknemer het niet eens is met het gegeven ontslag, kan hij de nietigheid daarvan inroepen.

Een werknemer werd na een 18-jarig dienstverband op staande voet ontslagen. De werknemer bestreed het ontslag, omdat hem niet duidelijk was wat de reden voor het ontslag was. De kantonrechter heeft het ontslag op staande voet vernietigd. De werkgever was er niet in geslaagd om bewijs te leveren van een dringende reden voor het ontslag en evenmin van het meedelen van die reden aan de werknemer. De kantonrechter ontbond de arbeidsovereenkomst zonder toekenning van een transitievergoeding aan de ontslagen werknemer. Naar het oordeel van de kantonrechter was sprake van wangedrag van de werknemer als aanleiding voor het ontslag.

In hoger beroep tegen de beschikking van de kantonrechter bestreed geen van de partijen de verklaring voor recht dat het gegeven ontslag op staande voet nietig was. Ook de door de kantonrechter uitgesproken ontbinding van de arbeidsovereenkomst werd niet bestreden. De ontslagen werknemer was het niet eens met het oordeel dat hij door wangedrag ernstig verwijtbaar had gehandeld. Voor de kantonrechter was dat een reden om hem geen transitievergoeding toe te kennen. Het hof oordeelde dat de werknemer recht had op betaling van loon vanaf de datum van het ten onrechte gegeven ontslag op staande voet tot de datum waarop de arbeidsovereenkomst was ontbonden. Anders dan de kantonrechter had geoordeeld, vond het hof dat het niet aan de werknemer te wijten was dat hij in die periode niet had gewerkt. Omdat naar het oordeel van het hof geen sprake is geweest van ernstig verwijtbaar handelen van de werknemer, moest de werkgever hem alsnog een transitievergoeding betalen.

Lees meer

Niet sluitende rittenregistraties

  08-06-2017

Wanneer een werkgever aan een werknemer een auto ter beschikking stelt, geldt het wettelijk vermoeden dat de auto ook privé wordt gebruikt. Het voordeel van het privé mogen gebruiken van een auto van de zaak leidt tot een bijtelling bij het loon. Dat voordeel bedraagt tenminste 22% van de waarde van de auto. Er volgt geen bijtelling als de werknemer overtuigend aantoont dat de auto op jaarbasis niet meer dan 500 kilometer privé wordt gebruikt. Dat bewijs kan worden geleverd met behulp van een rittenregistratie, maar ook op andere wijze.

Oordeel over rittenregistraties
Aan een bv werden naheffingsaanslagen loonbelasting opgelegd omdat de bv geen rekening had gehouden met een bijtelling voor privégebruik bij het salaris van haar dga. De bv kwam in hoger beroep met andere rittenregistraties dan zij in bezwaar en in beroep had aangevoerd. Het hof vond niet overtuigend aangetoond dat met de auto per jaar niet meer dan 500 kilometer privé was gereden. Bepalend vond het hof dat de nieuwe rittenregistraties, die betrekking hadden op de jaren 2009 en 2010 pas in 2017 waren opgesteld. In tegenstelling tot de eerdere rittenregistraties bevatten de nieuwe registraties geen enkele privérit, terwijl de dga en zijn echtgenote in privé geen auto hadden. De nieuwe rittenregistraties bevatten enkele opmerkelijke zakelijke ritten, namelijk op Koninginnedag en op beide Kerstdagen. Tenslotte sloot de eindstand van 2009 niet aan bij de beginstand van 2010. De dga heeft in de procedure voor het hof de onduidelijkheden en verschillen in de rittenregistraties niet kunnen verklaren. Dat leidde tot het oordeel dat de naheffingsaanslagen terecht zijn opgelegd.

Boete
Tegelijk met de naheffingsaanslagen heeft de inspecteur vergrijpboeten opgelegd omdat het aan grove schuld van de bv te wijten was dat geen loonbelasting over het privégebruik is betaald. Deze boeten bleven in stand. Het hof nam bij de beoordeling in aanmerking dat de Belastingdienst bij een eerder boekenonderzoek erop had gewezen dat een beperkt privégebruik moet kunnen worden aangetoond en dat de werkgever controle op het gebruik van de auto moet uitvoeren. Zowel de oorspronkelijke als de latere rittenregistraties waren geen betrouwbare en sluitende weergave van de met de auto gereden ritten. Daar kwam nog bij dat de dga anderen gebruik liet maken van de auto zonder te letten op de aard van dat gebruik. Dat gebrek aan kennis rekende het hof toe aan de bv. Volgens het hof was het op zijn minst aan grove schuld van de bv te wijten dat de voor het privégebruik van de auto verschuldigde belasting niet is betaald.

Lees meer

Beperking aftrek zorgkosten toegestaan

  06-06-2017

De aftrekbaarheid in de inkomstenbelasting van zorgkosten is strikt geregeld. Zo geldt voor de aftrek van extra uitgaven voor kleding en beddengoed wegens langdurige ziekte vaste gemaximeerde bedragen van € 300 of € 750, mits aan de voorwaarden is voldaan. Deze bedragen zijn opgenomen in de Uitvoeringsregeling inkomstenbelasting 2001. Hof Arnhem-Leeuwarden oordeelde vorig jaar dat deze beperking onbevoegd was aangebracht, en daarom niet mocht worden toegepast. De Hoge Raad oordeelt anders.

Volgens de Hoge Raad is bij deze beperking de door de wetgever aan de minister van Financiën gedelegeerde bevoegdheid niet overschreden. Hof Arnhem-Leeuwarden had eerder geoordeeld dat dit wel het geval was. Volgens het hof was de Uitvoeringsregeling onverbindend voor zover daarin een beperking aan de aftrekbaarheid wordt gesteld. Uit de wetsgeschiedenis volgt dat de wetgever de ministeriële regelgever de bevoegdheid heeft gegeven om de omvang van de aftrek voor extra uitgaven voor kleding en beddengoed te regelen. Dat betekent dat de minister de bevoegdheid heeft gekregen om het bedrag van de extra kosten te normeren. Onder de werking van de Wet IB 1964 gold een vergelijkbare regeling voor de aftrek van extra kosten van kleding en beddengoed. De wetgever heeft deze regeling inhoudelijk voort willen zetten.

Gevolg voor de praktijk
Voor de praktijk betekent dit dat, ongeacht de hoogte van de werkelijke extra uitgaven voor kleding en beddengoed, de aftrek beperkt is tot de gemaximeerde bedragen.

Lees meer

Opschorting handhaving Wet DBA verlengd tot 1 juli 2018

  02-06-2017

De staatssecretaris van Financiën heeft laten weten dat de opschorting van de handhaving van de Wet DBA wordt verlengd tot in ieder geval 1 juli 2018. Voor de goede orde zij vermeld dat dit niet geldt voor kwaadwillenden.

De mededeling van de staatssecretaris is gedaan naar aanleiding van het verschijnen van een rapport betreffende het onderzoek naar varianten voor de kwalificatie van de arbeidsrelatie. Bij de aanbieding van dat rapport aan de Tweede Kamer heeft de minister van Sociale Zaken gezegd dat de keuze voor vervolgstappen in het DBA-dossier aan een nieuw kabinet worden overgelaten.

Lees meer

Wijzigingen minimumloon per 1 juli 2017

  31-05-2017

Per 1 juli 2017 verandert er het een en ander aan het minimumloon. Op die datum gaat de leeftijd voor het volwassen minimumloon omlaag van 23 naar 22 jaar. Voor mensen jonger dan 23 jaar bedraagt het minimumloon een percentage van het minimumloon voor een volwassene. Deze percentages gaan voor 18- tot en met 21-jarigen per 1 juli 2017 omhoog.  De bedragen van het minimumloon worden ieder halfjaar aangepast. Per 1 juli 2017 gelden de in de tabel opgenomen bedragen per maand bij een volledige werkweek. Deze bedragen zijn exclusief vakantiegeld.

Minimumloon per 1 juli 2017
Leeftijd

Percentage tot 1 juli

Percentage per 1 juli

Bedrag per maand
 15 jaar  30  30  € 469,60
 16 jaar  34,5  34,5  € 540,05
 17 jaar  39,5  39,5  € 618,35
 18 jaar  45,5  47,5  € 743,55
 19 jaar  52,5  55  € 860,95
 20 jaar  61,5  70  € 1.095,80
 21 jaar  72,5  85  € 1.330,60
 22 jaar  85  100  € 1.565,40
 23 jaar  100  100  € 1.565,40

Lees meer

Verkapte winstuitdeling

  31-05-2017

De voordelen die een aandeelhouder haalt uit aandelen die een aanmerkelijk belang vormen, worden belast in box 2 van de inkomstenbelasting. Verkapte winstuitdelingen worden tot de voordelen uit aanmerkelijke belang gerekend. Een verkapte winstuitdeling is de bevoordeling van een aandeelhouder ten laste van de vennootschap waarvan hij aandeelhouder is. De vennootschap en de aandeelhouder moeten zich van de bevoordeling bewust zijn geweest. De bewijslast voor een verkapte winstuitdeling ligt bij de inspecteur.

De verkoop van een onroerende zaak door een bv aan haar beide aandeelhouders vond plaats voor een prijs waarover in april 2002 met de Belastingdienst overeenstemming was bereikt. De transactie vond plaats op 30 december 2005. Gezien de marktontwikkeling in deze periode was te verwachten dat de waarde van de onroerende zaak was gestegen. De rechtbank betrok de WOZ-waarde van de onroerende zaak per 1 januari 2005 in de beoordeling. Deze waarde vormde een concrete aanwijzing dat de in 2002 overeengekomen waarde niet meer actueel was. De rechtbank vond aannemelijk dat de aandeelhouders zich bewust waren van de bevoordeling ten laste van de bv. Omdat de aandeelhouders ook bestuurder waren van de bv was aannemelijk dat ook de bv zich van de bevoordeling bewust moet zijn geweest.

Tijdens de procedure kwam aan de orde of het verschil tussen de koopprijs en de waarde in het economische verkeer als schuld in rekening-courant aan de bv kon worden aangemerkt in plaats van als winstuitdeling. Daartoe zou al bij de koop moeten zijn overeengekomen dat een eventuele meerwaarde in rekening-courant zou worden verwerkt. Het bestaan van een dergelijke overeenkomst is tijdens de procedure op geen enkele wijze onderbouwd. Naar het oordeel van de rechtbank was sprake van een winstuitdeling.

Lees meer

Geen verlenging coulanceperiode afschaffing pensioen in eigen beheer

  31-05-2017

Per 1 april 2017 is een wet van kracht geworden die de mogelijkheid om een pensioen in eigen beheer bij de bv op te bouwen afschaft. De wet introduceert een tijdelijke maatregel om een reeds opgebouwd pensioen in eigen beheer fiscaal vriendelijk af te kopen. Voor dga’s, die geen gebruik van de afkoopmogelijkheid kunnen of willen maken, biedt de wet de mogelijkheid om de pensioenvoorziening om te zetten in een oudedagsreserve of om de pensioenvoorziening te bevriezen. Bij de behandeling van het wetsvoorstel in de Eerste Kamer heeft de staatssecretaris van Financiën een extra termijn van drie maanden toegezegd om dga's en bv's en hun adviseurs de tijd te geven om de nodige stappen te zetten in verband met de uitfasering van het pensioen in eigen beheer.

De staatssecretaris van Financiën is niet van plan om deze zogenaamde coulanceperiode te verlengen. Dat zegt hij in antwoord op Kamervragen, die zijn gesteld naar aanleiding van een bericht dat een op de drie dga’s niet op de hoogte van de afschaffing van het pensioen in eigen beheer zou zijn.

Volgens de staatssecretaris hebben dga’s sinds 1 juli 2016 de tijd gehad om na te denken over hun bestaande pensioenvoorziening in eigen beheer. Op die datum stuurde de staatssecretaris een brief met de contouren van de huidige regeling. Vervolgens heeft de staatssecretaris een extra termijn van drie maanden toegezegd om de noodzakelijke stappen te zetten in het kader van de uitfasering van het pensioen in eigen beheer. Door het uitstel van de inwerkingtreding van de wet is ook de coulanceperiode opgeschoven met drie maanden tot 1 juli 2017. Dat moet voldoende zijn om te regelen dat de opbouw van het pensioen in eigen beheer wordt stopgezet. Als de dga besluit om een elders verzekerd pensioen over te laten brengen naar eigen beheer, moet de waardeoverdracht plaatsvinden voor het einde van de coulanceperiode. Het volstaat als het verzoek tot overdracht uiterlijk op 30 juni 2017 bij de verzekeraar is ingediend.

Voor alle duidelijkheid, de beslissing om een bestaande pensioenvoorziening fiscaal gefaciliteerd af te kopen of om te zetten in een oudedagsverplichting hoeft niet voor 1 juli 2017 te worden genomen. Deze beslissing moet uiterlijk op 31 december 2019 zijn genomen.

Lees meer

Verbod op privégebruik auto helpt dga niet

  24-05-2017

Wanneer een werkgever aan een werknemer een auto ter beschikking stelt, wordt deze auto geacht ook privé te worden gebruikt. Dat is een vorm van loon in natura. Met het privégebruik wordt rekening gehouden door op kalenderjaarbasis 22% van de waarde van de auto bij het loon te tellen. Er vindt geen bijtelling plaats als de werknemer kan bewijzen dat in een kalenderjaar niet meer dan 500 kilometer privé is gereden met de auto. Dat bewijs kan worden geleverd met een rittenregistratie.

De dga van een bv meende dat geen bijtelling hoefde plaats te vinden omdat de bv geen auto aan hem ter beschikking had gesteld. De arbeidsovereenkomst van de dga bevatte een uitdrukkelijk verbod op privégebruik van de auto. De dga gebruikte de auto voor dienstritten en parkeerde de auto na gebruik op het terrein van de bv. Daar bleef de auto na sluitingstijd staan achter een afsluitbaar hek.
Een verbod op privégebruik van de auto in de arbeidsovereenkomst van een dga heeft volgens de inspecteur geen realiteitswaarde.

Gezien de bepalingen in de arbeidsovereenkomst heeft de bv aan de dga een auto ter beschikking gesteld. De dga kon als enig bestuurder van de werkgever bepalen of en hoe hij van de auto gebruik maakte. Daarom was geen sprake van een geval waarin een werknemer een auto alleen mag gebruiken om in opdracht van zijn werkgever en in diens belang personen of goederen te vervoeren. Het in de arbeidsovereenkomst opgenomen verbod op privégebruik is in het geval van een dga niet van belang, evenmin als de omstandigheid dat andere medewerkers de auto konden gebruiken. De medewerkers konden dit alleen doen in overleg met en na toestemming van de dga. De dga had geen rittenregistratie bijgehouden en ook niet op andere wijze aangetoond dat hij de auto op jaarbasis voor niet meer dan 500 kilometer privé heeft gebruikt. Het verbod op privégebruik voorkwam de bijtelling niet.

Lees meer

Ontslag op staande voet vernietigd

  24-05-2017

Ontslag op staande voet is een verstrekkende maatregel, die niet licht kan worden genomen. Voor ontslag op staande voet is een dringende reden vereist. Verder moet een ontslag op staande voet onverwijld worden gegeven.

Een medewerker van een camping werd op staande voet ontslagen omdat hij een biljet van € 50 aan fooi zou hebben willen verduisteren. In plaats van het biljet in de fooienpot te stoppen had hij het opgevouwen en onder het pinapparaat gelegd. De medewerker bestreed het ontslag op staande voet met een beroep op vermoeidheid na een dienst van 16 uur. Hof Den Bosch vond de handelwijze van de medewerker onlogisch en verdacht, maar kon niet met voldoende mate van zekerheid vaststellen dat de medewerker de bedoeling had het biljet te verduisteren.

Het hof oordeelde dat het opvouwen en wegstoppen van het biljet niet sneller was dan het scannen van het biljet en opbergen ervan in de fooienpot. De fooienpot en het scanapparaat stonden binnen handbereik. De medewerker had volgens zijn zeggen de fooi onder het pinapparaat gelegd om te voorkomen dat het biljet kwijt zou raken. Wegstoppen van de fooi was niet nodig om te voorkomen dat het biljet door een klant zou worden weggenomen. De handelwijze was verdacht, maar voor ontslag op staande voet is meer nodig is dan de verdenking dat de medewerker de fooi heeft weggestopt om het geld weg te nemen. Het hof acht niet onmogelijk dat de onlogische handelwijze voortkwam uit vermoeidheid

Lees meer

Leeftijdsgrens aftrek scholingskosten

  24-05-2017

De uitgaven voor een opleiding of studie, die wordt gevolgd met de bedoeling om inkomen uit werk en woning te verwerven, zijn onder voorwaarden aftrekbaar voor de inkomstenbelasting. Om aan aftrek toe te komen moet het gezamenlijke bedrag van de uitgaven hoger zijn dan € 250. De aftrek is begrensd op een bedrag van € 15.000. Voor belastingplichtigen die jonger zijn dan 30 jaar geldt gedurende een periode van vijf jaar geen maximum aan de aftrek. In deze periode moet de belastingplichtige zijn tijd grotendeels besteden aan de studie, terwijl de studielast zodanig moet zijn dat daarnaast geen volledige baan mogelijk is. Over de vraag of deze regeling een vorm van leeftijdsdiscriminatie inhoudt, is onlangs een procedure gevoerd.

Het Hof van Justitie EU heeft daarover gezegd dat de regeling is toegestaan omdat deze is bedoeld om de positie van jongeren op de arbeidsmarkt te versterken. Dat is een legitiem doel. De middelen om dat doel te bereiken moeten passend en noodzakelijk zijn. De Hoge Raad heeft na het arrest van het Hof van Justitie EU de procedure voortgezet. Bij de beoordeling of de ingezette middelen passend en noodzakelijk zijn om het doel van de regeling te bereiken heeft de wetgever een ruime beoordelingsmarge. De Hoge Raad is van oordeel dat deze marge door de regeling niet wordt overschreden. De beperking van de volledige aftrek tot personen die jonger zijn dan 30 jaar gaat niet verder dan nodig is voor de versterking van de positie van jongeren in het arbeidsproces. Personen die 30 jaar of ouder zijn hebben vaak al de gelegenheid gehad om een opleiding te volgen en verkeren meestal in een betere financiële positie dan schoolverlaters.

De procedure betrof iemand die op zijn 32e begon aan een opleiding tot verkeersvlieger. Hij bracht in zijn aangifte inkomstenbelasting een bedrag van ruim € 21.500 aan scholingsuitgaven in aftrek. Zijn inkomen in dat jaar bedroeg nihil, waardoor persoonsgebonden aftrekposten als de scholingsuitgaven niet in aanmerking konden worden genomen. In afwijking van de aangifte accepteerde de inspecteur het maximaal aftrekbare bedrag aan scholingsuitgaven van € 15.000. Dat bedrag verwerkte de inspecteur in een beschikking “niet in aanmerking genomen persoonsgebonden aftrek”. Volgens de student was de beperking van de aftrek van scholingskosten gebaseerd op een verboden onderscheid naar leeftijd. De Hoge Raad oordeelt dat het onderscheid naar leeftijd in dit geval is toegestaan.

Lees meer

Misbruik klantenkaart reden voor ontslag op staande voet

  18-05-2017

Een arbeidsovereenkomst kan door ieder van de partijen met onmiddellijke ingang worden opgezegd op grond van een dringende reden. Die opzegging moet wel direct, onder mededeling van de reden, aan de wederpartij worden gedaan. Voor zover het betreft ontslag op staande voet van een werknemer, kunnen handelingen als diefstal of agressief gedrag tot gevolg hebben dat van de werkgever niet gevergd kan worden de arbeidsovereenkomst te laten voortduren.

Een werkneemster bestreed het haar gegeven ontslag op staande voet bij de kantonrechter omdat het ontslag niet onverwijld zou zijn gegeven. De werkgever was op 5 januari 2017 op de hoogte van de dringende reden, maar de werkneemster zou pas op 18 januari kennis hebben genomen van het ontslag. Uit een door de werkgever overgelegd en door de werkneemster ondertekend gespreksverslag bleek echter dat de werkneemster al op 9 januari 2017 was ontslagen. De kantonrechter was van oordeel dat de werkgever had voldaan aan de eis van onverwijlde mededeling van het ontslag op staande voet onder opgave van de dringende reden. Die reden bestond uit het misbruik maken van de klantenkaart van haar zus door aan klanten zonder klantenkaart toch korting te geven. Door de op de klantenkaart van de zus van de werkneemster bijgeschreven aankopen had zij waardebonnen van de werkgever ontvangen. Volgens de kantonrechter was dat gedrag van de werkneemster een vorm van fraude waardoor de werkgever was benadeeld. Bij de beoordeling van de ernst van deze gedraging speelde mee dat de werkneemster in het verleden al was gewaarschuwd voor vergelijkbaar gebruik van haar eigen klantenkaart. Volgens de kantonrechter moet het de werkneemster duidelijk zijn geweest dat dergelijk gedrag door de werkgever niet wordt getolereerd. Het gegeven ontslag bleef in stand.

Lees meer

Toepassing tijdsevenredige vermindering premiedeel heffingskorting

  18-05-2017

Een heffingskorting is een bedrag dat in mindering wordt gebracht op de te betalen inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen. Inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen worden gecombineerd geheven. De besteding van de belastingopbrengsten en de premieopbrengsten verschillen. De heffingskorting bestaat uit een belastingdeel en een premiedeel. Deze delen van de heffingskorting worden afzonderlijk vastgesteld. Recht op het premiedeel van de heffingskorting bestaat alleen voor personen die premieplichtig zijn voor de volksverzekeringen. Wanneer het premiedeel van de heffingskorting niet kan worden verrekend met de verschuldigde premie wordt het bedrag van de inkomstenbelasting met het niet verrekende deel verminderd. De heffingskorting volksverzekeringen kan dus worden omgezet in een belastingkorting. Wanneer iemand een gedeelte van het jaar premieplichtig is, wordt het premiedeel van de heffingskorting tijdsevenredig verminderd. Deze vermindering geldt niet als iemand door overlijden slechts een deel van het jaar premieplichtig is geweest.

De vraag is of de tijdsevenredige vermindering van het premiedeel van de heffingskorting een belemmering vormt van het vrije verkeer van werknemers. Deze vraag kwam op in een procedure van iemand die een deel van een kalenderjaar in Nederland woonde en werkte, en vervolgens naar Polen verhuisde. Het inkomen in dat jaar werd vrijwel uitsluitend in Nederland verdiend. De Hoge Raad heeft de vraag voorgelegd aan het Hof van Justitie EU.

Lees meer

Wet tegen onredelijk lange betaaltermijnen

  18-05-2017

De wet, die het hanteren van onredelijk lange betaaltermijnen tegengaat, is op 26 april jl. in het Staatsblad geplaatst. De wet wil voorkomen dat grote ondernemingen onredelijk lange betaaltermijnen afdwingen van zelfstandige ondernemers en kleine of middelgrote ondernemingen. Daarom schrijft de wet voor grote ondernemingen een uiterste betaaltermijn van 60 dagen voor. Een hiervan afwijkende betaaltermijn in een overeenkomst is een nietige bepaling. Voor bestaande overeenkomsten geldt een overgangstermijn van één jaar na de datum van inwerkingtreding.

Grote onderneming
Het Burgerlijk Wetboek omvat in boek 2 een indeling van ondernemingen naar grootte. Een onderneming kwalificeert volgens deze omschrijving als groot, wanneer aan twee van de volgende drie criteria is voldaan.

  1. de waarde van de activa volgens de balans bedraagt meer dan € 20 miljoen;
  2. de netto omzet over het boekjaar bedraagt meer dan € 40 miljoen;
  3. het gemiddeld aantal werknemers over het boekjaar bedraagt 250 of meer.

Sanctie
De sanctie, die bij te late betaling van toepassing is, bestaat uit de wettelijke rente over het openstaande bedrag. De wettelijke rente is verschuldigd met ingang van de dag na het verstrijken van de betaaltermijn tot en met de dag van betaling.

Inwerkingtreding
De wet treedt op 1 juli 2017 in werking.

Lees meer

Vordering van ondernemer op broer geen ondernemingsvermogen

  18-05-2017

Een vordering is ondernemingsvermogen wanneer deze is ontstaan in het kader van de normale bedrijfsuitoefening. Een vordering die samenhangt met bedrijfsvreemde activiteiten kan alleen ondernemingsvermogen zijn als het gaat om het uitlenen van tijdelijk overtollige liquide middelen. Dat moet wel gebeuren op een zodanige manier dat de uitgeleende middelen tijdig weer in de onderneming beschikbaar zijn. Een verlies op een vordering, die tot het ondernemingsvermogen behoort, komt ten laste van de winst en verlaagt daarmee het bedrag van de te betalen belasting.

Lening aan bedrijf van broer ondernemingsvermogen?
Een ondernemer leende geld uit aan zijn broer voor de financiering van diens bedrijf. Dat bedrijf werd in de vorm van een bv gedreven. De bv ging failliet, zonder dat de leningen werden terugbetaald. De ondernemer meende dat de leningen tot zijn ondernemingsvermogen gerekend hadden moeten worden. Dat zou tot gevolg hebben dat het verlies op de leningen ten laste van de winst uit onderneming gebracht kon worden. De totale vordering bedroeg € 500.000. Volgens de ondertekende overeenkomsten van geldlening zou € 5.000 per jaar worden afgelost. Desondanks zou het de bedoeling zijn geweest om het geld kortstondig te lenen.

Hof Den Bosch vond niet aannemelijk dat de ondernemer zijn overtollige liquide middelen tijdelijk aan zijn broer had uitgeleend. Al eerder was voorzienbaar dat de broer niet in staat zou zijn de leningen snel af te lossen. De aan de broer verstrekte geldleningen behoorden niet tot het ondernemingsvermogen.

Resultaat uit werkzaamheid?
Het verlies op de vordering zou ook ten laste van het inkomen gebracht kunnen worden wanneer sprake van resultaat uit overige werkzaamheden zou zijn geweest. Daarvoor is nodig dat vermogen rendabel wordt gemaakt op een wijze die normaal, actief vermogensbeheer te buiten gaat. Dat kan het geval zijn als er activiteiten worden verricht die naar hun aard en omvang gericht zijn op het behalen van een hoger rendement. De ondernemer had wel werkzaamheden voor het bedrijf van zijn broer verricht, maar het hof vond niet aannemelijk dat deze werkzaamheden gericht waren op een hoger rendement. Al voordat het eerste deel van de leningen werd verstrekt, werkte de ondernemer voor zijn broer zonder daarvoor een vergoeding te ontvangen. Nadien waren de werkzaamheden er volgens het hof op gericht om te redden wat er te redden viel.

Uitkomst procedure
Omdat de lening aan het bedrijf van de broer niet kwalificeerde als ondernemingsvermogen en er ook geen sprake was van overige werkzaamheden waartoe de lening kon worden gerekend, kwam het verlies op de lening niet ten laste van het inkomen.

Lees meer

Nultarief omzetbelasting niet van toepassing

  11-05-2017

De levering van goederen, die in verband met de levering worden vervoerd naar een andere lidstaat van de EU, valt onder het nultarief van de omzetbelasting. Aan toepassing van het nultarief is de voorwaarde verbonden dat in de andere EU-lidstaat omzetbelasting wordt geheven vanwege de intracommunautaire verwerving van die goederen. De toepassing van het nultarief moet blijken uit boeken en bescheiden in de administratie van de ondernemer die het nultarief wil toepassen. Dat betekent dat op de ondernemer de bewijslast rust voor het nultarief. Aan de bewijslevering zijn geen bijzondere eisen gesteld. Het is geen vereiste dat de afnemer de intracommunautaire verwerving heeft aangegeven. Ook is niet vereist voor de toepassing van het nultarief dat de leverancier heeft voldaan aan de verplichting om een opgave te doen van intracommunautaire transacties.

Hof Amsterdam oordeelde in een procedure dat een ondernemer niet aan zijn bewijslast voor toepassing van het nultarief had voldaan. Een factuur met het btw-nummer van een in een andere lidstaat gevestigde ondernemer en een betaling vanuit die andere lidstaat zijn volgens het hof onvoldoende bewijs voor vervoer van geleverde goederen naar een andere lidstaat. Bewijs van het vervoer van de goederen ontbrak. Evenmin was voldaan aan de voorwaarden om de levering als een afhaaltransactie aan te merken.

Lees meer

Afschrijving op ter beschikking gestelde, geleasete apparatuur toegestaan

  11-05-2017

Om te kunnen afschrijven op een bedrijfsmiddel moet ten minste sprake zijn van economische eigendom. Iemand is de economische eigenaar wanneer hij het volledige risico van waardeverandering en van tenietgaan van een zaak draagt. Voor de beoordeling van de vraag of de economische eigendom van een geleaset goed is overgegaan van de lessor naar de lessee moet alleen naar de verhouding tussen deze partijen worden gekeken. Niet van belang is dat de lessee het risico van waardeverandering of tenietgaan van de zaak geheel of ten dele op een derde afwentelt, bijvoorbeeld door de zaak te verhuren. De Hoge Raad is van oordeel dat ook als een leasecontract niet de verplichting maar alleen een optie tot koop bevat, de economische eigendom kan zijn overgegaan op de lessee. Daarvoor moet gekeken worden naar de uitleg van de leasevorm in het contract en naar de hoogte van de overnamevergoeding aan het einde van de looptijd.

Hof Amsterdam moest beoordelen of een aanmerkelijkbelanghouder, die geleasete bedrijfsmiddelen aan de eigen bv ter beschikking stelde, mocht afschrijven op deze bedrijfsmiddelen. Volgens het hof is de aanmerkelijkbelanghouder economisch eigenaar op grond van de leasecontracten. De inspecteur stelde dat niet de aanmerkelijkbelanghouder maar de bv het risico van tenietgaan van de apparatuur droeg omdat de apparatuur door de bv was verzekerd. Daarnaast zou uit de huurovereenkomst voortvloeien dat ook de waardevermindering van de apparatuur voor rekening van de bv kwam. Het hof deelde dat standpunt van de inspecteur niet maar vond aannemelijk dat de apparatuur om praktische redenen onder een bestaande verzekering van de bv was gebracht en dat in verband daarmee een lagere huur in rekening werd gebracht.

Na de beëindiging van de leaseovereenkomsten werd de verhuur van de apparatuur aan de bv voortgezet. De inspecteur slaagde er niet in om aannemelijk te maken dat de verhuur van de apparatuur geen economische activiteit was. Volgens de inspecteur kon de verhuur door afschrijving op de apparatuur niet tot een positief resultaat leiden. Na afloop van de afschrijvingstermijn was de opbrengst van de verhuur hoger dan de kosten en lasten die met de verhuur samenhingen en was het resultaat positief. Hof Amsterdam was van oordeel dat de aanmerkelijkbelanghouder mocht afschrijven op de apparatuur.

Lees meer

Aftrekbeperking hypotheekrente in de vierde tariefschijf

  11-05-2017

Wie een eigen woning bezit, moet daarvoor een bedrag, het eigenwoningforfait, bij zijn inkomen in box 1 tellen. De rente die de woningeigenaar betaalt over de schulden die zijn aangegaan voor de eigen woning, komt in aftrek op het inkomen. Wanneer het eigenwoningforfait hoger is dan de betaalde (hypotheek)rente, hoeft geen bijtelling plaats te vinden voor het verschil. Voor zover het inkomen van de woningeigenaar in de hoogste tariefschijf van de inkomstenbelasting valt, vindt de aftrek van betaalde rente plaats tegen een verlaagd tarief. In 2017 bedraagt dat verlaagde tarief 50% in plaats van het normale tarief in de vierde schijf van 52%.

Over de uitwerking van deze regeling zijn Kamervragen gesteld aan de staatssecretaris van Financiën. De staatssecretaris merkt op dat de wetgever er bewust voor heeft gekozen om niet het saldo van de belastbare inkomsten uit eigen woning maar de aftrekbare kosten tegen een lager tarief in aanmerking te nemen. De vragensteller haalt een voorbeeld aan van een woningeigenaar die € 2.000 hypotheekrente heeft betaald en een eigenwoningforfait heeft van € 1.950 euro. Per saldo bedraagt de aftrekpost € 50. Dat levert tegen een tarief van 52% een belastingteruggaaf van € 26 op. Daar staat tegenover dat hij door de tariefsaanpassing een bijtelling krijgt van 2% van € 2.000. Dat is een bedrag van € 40, waardoor over de aftrekpost per saldo € 14 belasting moet worden betaald. De staatssecretaris heeft bevestigd dat deze berekening klopt.

De aftrek wegens geen of een kleine eigenwoningschuld is in dit voorbeeld niet van toepassing omdat de aftrekbare kosten voor de eigen woning hoger zijn dan het eigenwoningforfait. Ook als de aftrek wegens geen of geringe eigenwoningschuld van toepassing zou zijn, bijvoorbeeld omdat het eigenwoningforfait € 2.100 bedraagt, is de rente aftrekbaar tegen het verlaagde tarief. Dit kan alleen voorkomen worden door de hypotheekrenteaftrek bij de fiscale partner in aftrek te brengen mits die niet in de vierde belastingschijf valt, door de hypotheekschuld af te lossen of door de schuld niet (meer) aan de voorwaarden voor renteaftrek te laten voldoen.
Volgens de staatssecretaris zijn belastingplichtigen verplicht een schuld die voldoet aan de voorwaarden voor een eigenwoningschuld en de daarmee verband houdende aftrekbare kosten eigen woning op te voeren in de aangifte.

Lees meer

Vermogensetikettering woonhuis

  11-05-2017

De keuze voor het aanmerken van een vermogensbestanddeel als ondernemingsvermogen is in het algemeen afhankelijk van de wil van de ondernemer. De keuzevrijheid wordt beperkt door de grenzen van de redelijkheid. Een vermogensbestanddeel dat vrijwel alleen zakelijk wordt gebruikt is verplicht ondernemingsvermogen. Een vermogensbestanddeel dat vrijwel alleen privé wordt gebruikt is verplicht privévermogen. Behoudens bijzondere omstandigheden behoort een woning tot het privévermogen van de ondernemer. Een zakelijk gebruik van 10% of meer kan een reden zijn om de woning tot het ondernemingsvermogen te rekenen.

Een dga kocht in mei 2007 een stuk grond met een opstal voor € 515.000. De opstal werd gesloopt, waarna voor € 420.000 een woning op het perceel werd gebouwd. Na voltooiing van de bouw werd de woning in mei 2009 in gebruik genomen. In juli 2008 besloot de dga om met terugwerkende kracht tot 1 januari 2008 een vof aan te gaan met een bv waarin zijn bv participeerde. De woning merkte de dga aan als ondernemingsvermogen. Op 29 december 2009 tekende de dga een intentieverklaring, waarin stond dat de dga zijn aandeel in de vof met ingang van 1 januari 2010 inbracht in een nieuw op te richten bv. In verband met de inbreng van de onderneming ging de woning per 1 januari 2010 naar het privévermogen van de dga. Dat gebeurde tegen de waarde in bewoonde staat. De waarde in het economische verkeer vrij van huur en gebruik van de woning bedroeg volgens een taxatie per 1 januari 2010 € 830.000. De getaxeerde waarde was beduidend lager dan het in de aankoop en de bouw geïnvesteerde bedrag. Omdat de waarde in bewoonde staat lager is dan de waarde vrij opleverbaar en gerelateerd is aan de getaxeerde waarde, ontstond per saldo een stakingsverlies van € 468.000. De Belastingdienst accepteerde het stakingsverlies niet, maar kreeg van Hof Arnhem-Leeuwarden geen gelijk.

Het hof vond aannemelijk dat de woning vanaf de ingebruikname voor meer dan 10% werd gebruikt ten behoeve van de onderneming. Daarmee behoorde de woning tot het keuzevermogen. Door de woning als ondernemingsvermogen aan te merken heeft de dga de grenzen van de redelijkheid niet overschreden. Het hof is van oordeel dat de keuzevrijheid niet wordt beperkt door de omstandigheid dat ten tijde van de definitieve keuze voor ondernemingsvermogen al duidelijk was dat de ondernemingsactiviteiten zouden overgaan naar een bv en de woning zou overgaan naar privé.

Lees meer

Koerswinst op dividendvordering

  04-05-2017

De voordelen die een vennootschap behaalt uit een deelneming zijn vrijgesteld van vennootschapsbelasting door de werking van de deelnemingsvrijstelling. Dividend is een voordeel dat uit hoofde van een deelneming wordt ontvangen. Een koersresultaat dat wordt behaald met een dividendvordering op een deelneming is geen vrijgesteld deelnemingsvoordeel, maar vormt belastbare winst.

Een in Nederland gevestigde bv had een belang van bijna 100% in een in Kazachstan gevestigde vennootschap. De algemene vergadering van aandeelhouders van de Kazachse vennootschap besloot op 22 april 2010 om dividend uit te keren. De Nederlandse vennootschap nam een dividendvordering op haar balans op van ruim € 47 miljoen. De vordering bestond uit het bruto dividendbedrag verminderd met 5% bronheffing. Op 20 mei 2010 werd besloten om het te betalen dividend te verrekenen met een schuld in Amerikaanse dollars van de Nederlandse vennootschap aan de Kazachse vennootschap. Het restant van het dividend ad € 1,35 miljoen werd op 21 mei per bank betaald. De vennootschap behaalde door het tijdsverloop tussen de dividenduitkering en de verrekening een koerswinst van € 4,8 miljoen. De vraag was of het koersresultaat onderdeel was van de belastbare winst over het jaar 2010 of onder de deelnemingsvrijstelling viel. De Nederlandse vennootschap stelde zich op het standpunt dat de dividendvordering direct was verrekend met haar schuld. Daardoor zou alleen de koerswinst die over het niet verrekende deel van de dividendvordering was gerealiseerd belast zijn. Uitgaande van het subsidiaire standpunt dat de dividendvordering pas op 20 mei 2010 is ontstaan en direct is verrekend, zou er geen belaste koerswinst zijn gerealiseerd.

De rechtbank leidde uit de notulen van de algemene vergadering van aandeelhouders af, dat het dividend op 22 april 2010 is gedeclareerd en betaalbaar is gesteld. Op die datum is de dividendvordering ontstaan. In de notulen was vastgelegd dat het uit te betalen dividend zou worden voldaan door verrekening met schulden, maar de wijze van verrekening is later vastgelegd in een afzonderlijke overeenkomst. Deze verrekening heeft volgens de rechtbank niet eerder dan op 20 mei 2010 plaatsgevonden. In de overeenkomst was vastgelegd dat verrekening zou plaatsvinden tegen de op de datum van ondertekening geldende wisselkoersen. Volgens de overeenkomst zijn de schulden over en weer afgewikkeld vanaf het moment van ondertekening. Volgens de rechtbank was het bedrag van de koerswinst van € 4,8 miljoen belast. In hoger beroep heeft Hof Amsterdam de uitspraak van de rechtbank bevestigd.

Lees meer

Ontbinding wegens verstoorde arbeidsrelatie

  04-05-2017

Een werkgever kan een arbeidsovereenkomst met een werknemer niet zondermeer opzeggen. Behoudens een aantal in de wet geregelde gevallen moet de werkgever voor opzegging een redelijke grond hebben en moet herplaatsing van de werknemer binnen een redelijke termijn niet mogelijk zijn. De wet bevat een opsomming van redelijke gronden voor opzegging van de arbeidsovereenkomst. Afhankelijk van de reden voor opzegging is toestemming nodig van het UWV of kan de werkgever bij de kantonrechter een verzoek om ontbinding van de arbeidsovereenkomst indienen. Een van de in de wet genoemde gronden voor opzegging is een zodanig verstoorde arbeidsverhouding, dat van de werkgever in redelijkheid niet verlangd kan worden dat hij de arbeidsovereenkomst laat voortduren.

Onlangs diende bij de kantonrechter een dergelijke zaak. De werkgever baseerde het verzoek om ontbinding van de arbeidsovereenkomst op verstoring van de arbeidsverhouding door een arbeidsconflict. De werknemer had zich eerder ziekgemeld. Vastgesteld werd dat de oorzaak van de arbeidsongeschiktheid deels medisch en deels werkgerelateerd was. Zowel de coach van de werknemer als de bedrijfsarts, de verzekeringsdeskundigen en het UWV spraken consequent van een arbeidsconflict. Pogingen om dat conflict bij te leggen liepen op niets uit door de opstelling van de werknemer. De werknemer was voor de aanvang van de procedure wel weer hersteld. De kantonrechter ontbond de arbeidsovereenkomst, rekening houdend met de voor de werkgever geldende opzegtermijn, verminderd met de duur van de procedure. Aan beide voorwaarden voor toekenning van een transitievergoeding, namelijk beëindiging op initiatief van de werkgever en een duur van de arbeidsovereenkomst van 24 maanden of langer, was voldaan. De kantonrechter wees het verzoek van de werknemer om toekenning van een billijke vergoeding af. De kantonrechter kan een billijke vergoeding toekennen bij ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van de werkgever. Daarvan was geen sprake. Uit de wetsgeschiedenis volgt dat ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van de werkgever zich slechts in uitzonderlijke gevallen voordoet.

Lees meer

Een motor als alternatief voor een auto van de zaak?

  04-05-2017

Wie geregeld op de weg van huis naar werk of van werk naar huis in de file staat, kijkt wel eens jaloers naar de motorrijder die tussen de files doorrijdt. Zeker nu het weer beter wordt lijkt dat aantrekkelijk. Maar is het ook een alternatief voor een auto van de zaak? Tijd voor een vergelijking.

Overeenkomsten
De uitgangspunten zijn gelijk. Zowel voor de auto als voor de motor van de zaak geldt dat de afschrijving en de kosten van brandstof, onderhoud, belasting en verzekering ten laste van de winst van de zaak mogen worden gebracht. De omzetbelasting op de aanschaf, de brandstof en het onderhoud is als voorbelasting aftrekbaar. Aan het einde van het jaar moet er een correctie voor de omzetbelasting plaatsvinden voor het privégebruik.

Verschillen
Wie een auto van de zaak ter beschikking heeft, wordt geconfronteerd met een wettelijk geregelde (standaard)bijtelling bij zijn inkomen voor het privégebruik. Bij een in 2017 op naam gestelde auto gaat het doorgaans om 22% van de cataloguswaarde. Een bijtelling kan alleen worden voorkomen door aantoonbaar in een jaar niet meer dan 500 kilometer privé te rijden.
Voor een motor van de zaak geldt geen standaardbijtelling. De ondernemer of de werknemer met een motor van de zaak zal de werkelijke waarde van het privégebruik bij zijn inkomen moeten tellen.  De totale kosten en lasten van de motor worden naar rato verdeeld over de zakelijke en de privékilometers. Dat kan voordeliger zijn dan de standaard bijtelling voor een auto, maar het hoeft niet. Vanaf de eerste kilometer die privé wordt gereden is er immers een voordeel voor de motorrijder. Anders dan voor de autorijder geldt dus niet dat een privégebruik van niet meer dan 500 kilometer voor rekening van de zaak kan komen.

Voor een werknemer is de mogelijkheid om een motor van de zaak privé te rijden een vorm van loon in natura. De werkgever heeft de mogelijkheid dit als eindheffingsbestanddeel aan te wijzen en zo ten laste van de vrije ruimte voor de werkkostenregeling te brengen. Dat kan uiteraard alleen indien en voor zover er nog vrije ruimte beschikbaar is. Is die ruimte er niet, dan moet de werkgever 80% eindheffing afdragen. Het alternatief is het loon in natura op de normale wijze belasten bij de werknemer.

Voor een ondernemer vormen de kosten voor het privégebruik een onttrekking aan het vermogen van de onderneming. Die onttrekking moet worden gecorrigeerd door een bijtelling bij de winst. Wanneer de kosten van de motor uitkomen op € 0,60 per kilometer en er 5.000 kilometer privé worden gereden is de onttrekking € 3.000 (5.000 km x € 0,60). Uitgaande van een tarief van 52% inkomstenbelasting kost dit dus € 1.560.

Let op: een wettelijke verplichting om een kilometeradministratie bij te houden is er niet.

Investeringsaftrek
Waar de investering in een auto uitdrukkelijk is uitgesloten van de kleinschaligheidsinvesteringsaftrek, geldt dat voor een motor niet. Afhankelijk van het totale investeringsbedrag van de onderneming in een jaar kan maximaal 28% van de aanschafprijs van de motor in aftrek worden gebracht op de winst. Bij investering in een elektrische scooter of motor kan daarnaast gebruik worden gemaakt van de milieu-investeringsaftrek en de willekeurige afschrijving op milieu-investeringen.
Niet alleen de kosten van de motor zelf, maar ook de kosten van bijkomende zaken als motorkleding en een helm kunnen door de zaak gedragen worden.

Conclusie
Vanuit fiscaal oogpunt is een motor van de zaak een goed alternatief. Daarmee is niet gezegd dat een motor voor iedereen of in alle gevallen een goed alternatief is voor de auto van de zaak. Er spelen immers ook andere factoren dan alleen het fiscale aspect. Denk aan de veiligheid en het risico van aansprakelijkheid van de werkgever voor schade die de werknemer oploopt of aan de tijd die is gemoeid met omkleden van motortenue naar werktenue en andersom. Voor de ondernemer, die liefhebber is van motorrijden, is het zeker een alternatief, maar voor anderen wellicht niet.

Lees meer

Belastingdienst schrijft klanten Zwitserse bank aan

  26-04-2017

Het aanhouden van spaartegoeden in het buitenland is lange tijd niet ongebruikelijk geweest, zeker in de tijd dat rente in Nederland progressief werd belast. België, Luxemburg en Zwitserland waren populaire bestemmingen voor landgenoten die hun geld buiten het zicht van de Belastingdienst wilden houden. Door de structurele uitwisseling van gegevens met buitenlandse overheden is de kans dat de Belastingdienst verborgen buitenlands vermogen op het spoor komt steeds groter. Ook de opheffing van het bankgeheim in diverse landen speelt een belangrijke rol.

De Belastingdienst heeft onlangs een aantal Nederlandse rekeninghouders van een Zwitserse bank aangeschreven. Zij worden gevraagd om hun buitenlandse vermogen op te geven in de aangifte inkomstenbelasting 2016 en om eerdere aangiften zo nodig te verbeteren. Omdat de Belastingdienst hen al op het spoor is, komen de betrokkenen niet in aanmerking voor een verlaagde boete wegens vrijwillige verbetering.

Lees meer

Late beschikbaarheid aangifteformulieren erf- en schenkbelasting

  26-04-2017

De staatssecretaris van Financiën heeft Kamervragen over de aangifte erf- en schenkbelasting beantwoord. De aangifteformulieren erf- en schenkbelasting zijn pas vanaf april of mei 2017 beschikbaar, terwijl de nieuwe regels op 1 januari 2017 zijn ingevoerd. Gevraagd is waarom de formulieren niet eerder beschikbaar waren.

Door het vervallen van een ontheffingsmogelijkheid van voor aangiftes geldende vormvoorschriften per 1 januari moet voor aangiftes die betrekking hebben op overlijdens en schenkingen na 1 januari gebruik gemaakt worden van het door de Belastingdienst ter beschikking gestelde formulier. Volgens de staatssecretaris zijn deze formulieren gewoonlijk in februari beschikbaar, maar is dat dit jaar vertraagd doordat er meer aanpassingen moesten worden aangebracht. Het is niet meer mogelijk om onder bijzondere omstandigheden gebruik te maken van vormvrije bijlagen. Alle mogelijke situaties moeten in het formulier verwerkt kunnen worden.

Voor aangiftes erfbelasting geldt dat deze binnen een termijn van acht maanden na het overlijden van de erflater moeten worden gedaan. Als daaraan is voldaan wordt geen belastingrente berekend. De staatssecretaris voorziet geen problemen met het tijdig kunnen doen van aangifte door het later beschikbaar komen van de aangifteformulieren. Naar verwachting worden in juni de eerste voorlopige aanslagen 2017 opgelegd. Voor de schenkbelasting geldt dat nooit belastingrente wordt berekend.

Lees meer

Belastbaarheid uitkeringen letselschadeverzekering

  26-04-2017

Ontvangen letselschade-uitkeringen vormen vermogen, dat belast is in box 3, voor zover het totale vermogen op 1 januari van het jaar het heffingvrije vermogen van € 25.000 overschrijdt. De staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport heeft, mede namens de staatssecretaris van Financiën, Kamervragen over de fiscale positie van dergelijke verzekeringsuitkeringen beantwoord.

In zijn antwoord maakt de staatssecretaris duidelijk dat voor de berekening van eigen bijdragen voor de Wet langdurige zorg en de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 het verzamelinkomen van belang is. Het verzamelinkomen bestaat uit het inkomen uit werk en woning (box 1), het inkomen uit aanmerkelijk belang (box 2) en het belastbare inkomen uit sparen en beleggen (box 3). De wetgever heeft een bewuste keuze gemaakt voor het fiscale inkomensbegrip als grondslag voor de eigen bijdragen om de inkomensafhankelijke regelingen te harmoniseren. Per 1 januari 2013 is voor de berekening van de eigen bijdragen een vermogensinkomensbijtelling van 8% ingevoerd. Deze bijtelling gaat uit van de grondslag sparen en beleggen in box 3 van de inkomstenbelasting. De invoering van de vermogensinkomensbijtelling moet ertoe leiden dat de eigen bijdragen in de langdurige zorg meer in overeenstemming zijn met de werkelijke draagkracht dan wanneer alleen met het inkomen uit arbeid of vroegere arbeid rekening wordt gehouden. De uitkering uit een letselschadeverzekering is onderdeel van de draagkracht. Er wordt verondersteld dat bij de vaststelling van de omvang van de schadevergoeding rekening is of wordt gehouden met de gevolgen van de vermogensinkomensbijtelling.

Voor de vermogenstoets voor de toeslagen geldt een uitzondering voor vergoedingen voor immateriële schade en voor letselschadevergoedingen waarvan de hoogte is vastgelegd vóór 11 oktober 2010. Dat is de datum waarop in het regeerakkoord is besloten tot de invoering van de vermogensinkomensbijtelling per 1 januari 2013. De staatssecretaris is in overleg met instellingen als Slachtofferhulp Nederland om knelpunten bij de doorwerking van letselschadevergoedingen op het vermogen te inventariseren.

Lees meer

Sectorindeling werknemersverzekeringen

  20-04-2017

Voor de vaststelling van de hoogte van de premies werknemersverzekeringen worden werkgevers in een sector van het bedrijfs- en beroepsleven ingedeeld. De regeling Wet financiering sociale verzekeringen bepaalt op welke wijze de sectorindeling plaatsvindt. Wanneer werkzaamheden worden verricht in een bedrijfs- of beroepstak die is opgenomen in een bijlage bij de regeling, vindt indeling plaats op basis van die bijlage. Werkzaamheden die niet zijn opgenomen in de bijlage worden ingedeeld in de sector waarvan de werkzaamheden het meest overeenkomen met de niet opgenomen werkzaamheden.

Hof Arnhem-Leeuwarden was van oordeel dat een attractiepark terecht niet was ingedeeld in de sector speeltuinen en zwembaden maar in de sector kermissen en kermisgezelschappen. De attracties van het park leken het meest op de attracties die ook op kermissen aanwezig zijn. Het hof vond aannemelijk dat de bezoekers vooral vanwege de attracties naar het park kwamen. De overeenkomsten tussen kermissen en het attractiepark zijn groter dan die tussen speeltuinen en het attractiepark. Volgens de Hoge Raad heeft het hof op de juiste wijze rekening gehouden met de aard van de werkzaamheden voor de sectorindeling.

Lees meer

Forfaitaire rendementen box 3 voor 2018 en 2019

  20-04-2017

In een brief aan de Tweede Kamer heeft de staatssecretaris van Financiën een prognose gegeven van de forfaitaire rendementen in box 3 voor de jaren 2018 en 2019.

Het forfaitaire rendement voor het jaar 2018 wordt gebaseerd op de gegevens van 2016. Deze gegevens zijn inmiddels bekend. De spaarrente bedroeg in 2016 0,56%, het aandelenrendement 7,90%, het rendement op obligaties 0,29% en de huizenprijsontwikkeling was 5,08%. Het forfaitaire rendement voor 2018 komt daarmee voor sparen uit op 1,30% en voor beleggen op 5,38%.

Voor de bepaling van het forfaitaire rendement voor het jaar 2019 zijn de rendementen van 2017 van belang. Meer dan een prognose kan op dit moment niet worden gegeven. Op basis van ramingen van het CPB voor de huizenprijsontwikkeling en de kapitaalmarktrente en het in het Belastingplan 2016 vermelde geprognotiseerde langetermijnrendement op aandelen van 8,25% komt het geschatte forfaitaire rendement voor 2019 voor sparen uit op 0,89% en voor beleggen op 5,33%.

Omdat de jaarlijkse bijstelling van het forfaitaire rendement in box 3 voor het volgende belastingjaar al vroeg in het jaar kan worden vastgesteld is de staatssecretaris van plan om de Tweede Kamer voortaan in het voorjaar daarover te informeren.

Lees meer

Boete voor gebruik auto tijdens schorsing gematigd

  20-04-2017

Het is mogelijk het kenteken van een auto of een motorfiets te schorsen. Gedurende de periode van schorsing hoeft geen motorrijtuigenbelasting (mrb) te worden betaald. Het voertuig mag tijdens schorsing niet op de openbare weg komen. Gebeurt dat toch en wordt dat vastgesteld, dan wordt een naheffingsaanslag opgelegd.

Aan de eigenaar van een auto werd een naheffingsaanslag mrb met een boete opgelegd. De reden daarvoor was dat met de auto was gereden tijdens de periode van schorsing van het kenteken. De boete bedroeg 100% van de nageheven belasting.
De eigenaar meende dat de naheffingsaanslag te hoog was omdat hij de auto slechts op één dag had gebruikt. Dat is geen reden voor verlaging van de aanslag. Een naheffingsaanslag mrb wordt berekend over vier aaneensluitende tijdvakken van drie maanden met als laatste tijdvak dat waarin het gebruik van de weg is geconstateerd. Voor het berekende bedrag is niet van belang of de auto in een deel van de periode niet is gebruikt.

Het gerechtshof liet het beperkte gebruik wel meewegen bij de beoordeling van de hoogte van de boete. De eigenaar had de auto gebruikt om achteruitgang door langdurige stilstand te voorkomen. Het hof vond een boete van € 250 in plaats van € 962 volstaan voor het begane verzuim.

Lees meer

Min/max-overeenkomst en rechtsvermoeden arbeidsomvang

  14-04-2017

De wet kent een rechtsvermoeden van de arbeidsomvang. Dat rechtsvermoeden is bedoeld om de werknemer houvast te bieden wanneer de omvang van de arbeid niet of niet duidelijk is afgesproken of wanneer de feitelijke omvang van de arbeid structureel hoger is dan de overeengekomen arbeidsduur.

De vraag in een procedure voor de kantonrechter was of het rechtsvermoeden van arbeidsomvang ook speelt bij een min/max-overeenkomst. Een min/max-overeenkomst houdt in dat werkgever en werknemer zowel een minimum als een maximum aantal uren arbeid overeenkomen. Onderdeel van de afspraken is dat de werknemer in ieder geval recht heeft op loon over het minimum aantal overeengekomen uren. Ten aanzien van het aantal uren boven het minimum wordt afgesproken dat de werkgever de werknemer kan oproepen, waarna de werknemer in beginsel verplicht is aan deze oproep gehoor te geven.

De kantonrechter stelde vast dat de omvang van de arbeid duidelijk was omdat in de overeenkomst een minimum en een maximum aantal uren per periode was vastgelegd. De kantonrechter vond in dit geval de marge tussen het minimum en het maximum wel ruim, maar dat betekent niet dat dan de arbeidsomvang niet eenduidig zou zijn overeengekomen. Een beroep op het rechtsvermoeden kan dan alleen slagen als de arbeidsomvang structureel hoger ligt dan het maximum aantal overeengekomen uren. Daarvan was in dit geval geen sprake.

Lees meer

Coulancetermijn aanpassing pensioenvoorziening in eigen beheer

  13-04-2017

De staatssecretaris van Financiën heeft een besluit met de uitwerking van de coulancetermijn voor aanpassing van een pensioenvoorziening in eigen beheer gepubliceerd. Dga’s hebben tot en met 30 juni 2017 de tijd voor:

  • het premievrij maken van het in eigen beheer opgebouwde pensioen;
  • het overbrengen van elders verzekerd pensioen naar de eigen bv;
  • het aanpassen van de pensioenbrief;
  • de besluitvorming in de algemene vergadering over het pensioen.

Op grond van de goedkeuring blijft een bv met een pensioen in eigen beheer tijdens de coulancetermijn een toegelaten verzekeraar in de zin van de loonbelasting. Dat betekent dat ook pensioenopbouw tijdens de coulancetermijn mogelijk is, mits deze is gebaseerd op een reeds bestaande pensioenregeling. Het tijdens de coulancetermijn opgebouwde pensioen telt mee bij de afkoop of de omzetting in een oudedagsverplichting.

Lees meer

Cao-voorziening bij ontslag

  13-04-2017

Een werkgever moet bij het einde van een arbeidsovereenkomst na ten minste 24 maanden aan de werknemer een transitievergoeding betalen als het initiatief voor de beëindiging bij de werkgever ligt. Er hoeft geen transitievergoeding te worden betaald wanneer in de cao een gelijkwaardige voorziening is opgenomen.

De vraag in een procedure voor de kantonrechter was of de in de cao opgenomen voorziening gelijkwaardig was aan de transitievergoeding. De procedure had betrekking op een werknemer die volledig en duurzaam arbeidsongeschikt was. De werknemer kwam op grond van de geldende pensioenregeling in aanmerking voor een arbeidsongeschiktheidspensioen in aanvulling op de arbeidsongeschiktheidsuitkering en voor premievrije voortzetting van de opbouw van het ouderdomspensioen.
Volgens de kantonrechter moet bij de beoordeling van gelijkwaardigheid van een voorziening niet worden gekeken naar het moment van uitkering van het pensioen maar naar het financiële voordeel dat de premievrije opbouw oplevert. De in de cao opgenomen voorziening is volgens de kantonrechter collectief gelijkwaardig. Hoe een regeling in het individuele geval uitpakt hoeft niet in de beoordeling te worden betrokken, omdat dat in veel gevallen pas achteraf kan worden beoordeeld.

Lees meer

Voorstel aanpassing Wet werk en zekerheid

  06-04-2017

De werkgever moet een transitievergoeding betalen aan een werknemer als diens arbeidsovereenkomst na twee jaar of langer wordt beëindigd of niet wordt voortgezet op initiatief van de werkgever. Dat geldt ook als de werknemer door ziekte of gebreken zijn werk niet meer kan verrichten en herplaatsing niet mogelijk is. Het moeten betalen van een transitievergoeding bij ontslag wegens langdurige arbeidsongeschiktheid wordt door werkgevers als onrechtvaardig ervaren.

Nu wordt voorgesteld om werkgevers in die gevallen te compenseren voor de betaalde transitievergoeding. De compensatie wordt door het UWV betaald uit het Algemeen werkloosheidsfonds. De premie voor dit fonds wordt in dat kader verhoogd. De regering wil deze maatregel met terugwerkende kracht tot 1 juli 2015 invoeren. De regeling geldt zowel bij het niet verlengen van tijdelijke arbeidsovereenkomsten wanneer de werknemer bij het einde van de arbeidsovereenkomst ziek is, als bij arbeidsovereenkomsten die wegens het niet langer kunnen verrichten van de bedongen arbeid worden opgezegd of ontbonden.

Ook bij ontslag om bedrijfseconomische redenen of bij bedrijfsbeëindiging is de werkgever verplicht om een transitievergoeding te betalen. In de cao kunnen voorzieningen worden geregeld die in de plaats komen van de transitievergoeding. De gekapitaliseerde waarde van deze voorzieningen moet gelijkwaardig zijn aan het bedrag van de transitievergoeding voor een individuele werknemer. Dat kan een belemmering zijn om bij ontslagen om bedrijfseconomische redenen collectieve afspraken te maken. Voorgesteld wordt dat de gekapitaliseerde waarde van de voorzieningen niet langer gelijkwaardig hoeft te zijn aan de transitievergoeding waar de werknemer recht op zou hebben gehad. Voldoende is dat de werknemer bij ontslag om bedrijfseconomische redenen op grond van de cao recht heeft op voorzieningen die bestaan uit maatregelen om werkloosheid te voorkomen of in duur te beperken of als de cao voorziet in een redelijke financiële vergoeding.

Als volgens de cao uitsluitend recht bestaat op een financiële vergoeding moet deze gelijk zijn aan de wettelijke transitievergoeding. Een lagere financiële vergoeding is redelijk als het omwille van de continuïteit van een bedrijf of van bedrijven in een sector niet verantwoord is om vergoedingen van het niveau van de transitievergoeding te verstrekken of als cao-partijen een deel van de beschikbare middelen gebruiken voor andere voorzieningen, zoals een mobiliteitscentrum of scholingstrajecten voor werknemers. Een van de transitievergoeding afwijkende cao-regeling kan alleen betrekking hebben op ontslag wegens bedrijfseconomische redenen.

Lees meer

Voorkomen van dubbele bijtelling bij tijdelijke vervanging

  06-04-2017

Voor het privégebruik van een auto van de zaak moet een bijtelling bij het inkomen plaatsvinden. Om de bijtelling te beperken kiezen werknemers soms voor een relatief kleine auto of voor een elektrische of hybride auto. Door het formaat of de bescheiden actieradius van deze auto worden de mogelijkheden voor het gebruik beperkt. Vooral tijdens vakanties doen die beperkingen zich gelden. Reizen met een caravan of met veel bagage wordt lastig met een kleine auto. Niet alle hybride auto's mogen een aanhanger trekken. Leasemaatschappijen bieden hiervoor vaak een oplossing in de vorm van tijdelijke vervanging door een andere auto of zelfs een ander voertuig zoals een motor. Zonder verdere maatregelen leidt dat tot dubbele bijtelling voor privégebruik, zowel voor de vaste als voor de tijdelijke auto.

De Belastingdienst heeft met de vereniging van leasemaatschappijen afspraken gemaakt waarmee dubbele bijtelling kan worden voorkomen. Dat kan door in de periode van tijdelijke vervanging de normale leaseauto in te leveren bij de werkgever of bij de leasemaatschappij, inclusief de sleutels en de papieren van de auto. Verder moeten de werkgever en de werknemer schriftelijk vastleggen dat de auto gedurende de periode van vervanging niet aan de werknemer ter beschikking staat. Voor de periode van vervanging wordt de bijtelling dan berekend aan de hand van de catalogusprijs van het vervangend vervoer. Daarom moet de vastlegging de gegevens bevatten voor de berekening van de bijtelling, zoals de catalogusprijs en de CO2-uitstoot, de periode van vervanging en het kenteken van de hoofdauto. Gaat het om ander vervangend vervoer dan een auto, bijvoorbeeld een scooter of een motorfiets, dan wordt de waarde in het economisch verkeer van het privégebruik als loon in aanmerking genomen.

Lees meer

Vermogensetikettering woning ondernemer

  06-04-2017

De keuze om een vermogensbestanddeel toe te rekenen aan de onderneming of aan privé is in het algemeen afhankelijk van de wil van de ondernemer. De keuzevrijheid wordt begrensd door de redelijkheid. Zo vormt de woning van de ondernemer, behoudens bijzondere omstandigheden, naar zijn aard privévermogen. Pas bij een zakelijk gebruik van 10% of meer kan de woning tot het ondernemingsvermogen worden gerekend. Toch kan een woning ook bij minder zakelijk gebruik toch binnen de grenzen van de redelijkheid tot het ondernemingsvermogen worden gerekend als de bewoning dienstbaar is aan de bedrijfsuitoefening. Een indicatie voor dienstbaarheid aan de onderneming is de ligging van de woning in de nabijheid van het bedrijfspand.

Een ondernemer onderbouwde zijn standpunt, dat zijn woning ondernemingsvermogen was, als volgt. De woning lag naast de bedrijfshal. De woning bevatte een kantoorruimte waar de administratie van de onderneming werd gevoerd. Vanuit de woning kon toezicht op de bedrijfsactiviteiten in en rond de bedrijfshal worden gehouden en was gedurende de werkdag contact met de werknemers mogelijk. Door de ligging naast de bedrijfshal was het mogelijk om ook buiten werktijd leveringen van goederen in ontvangst te nemen. Hof Arnhem-Leeuwarden vond de woning voldoende dienstbaar aan de onderneming om de keuze van de ondernemer voor ondernemingsvermogen te respecteren. Het hof nam bij zijn oordeel mede in overweging dat de woning en de bedrijfshal in één koop waren aangeschaft, dat zij op hetzelfde perceel lagen en slechts één toegangsweg hadden.

Lees meer

Wetsvoorstel implementatie vierde Europese anti-witwasrichtlijn

  06-04-2017

In 2015 is de vierde Europese anti-witwasrichtlijn aangenomen. Deze richtlijn moet voorkomen dat het financiële stelsel wordt gebruikt voor het witwassen van geld of terrorismefinanciering. De richtlijn verplicht de lidstaten tot de invoering van een centraal register van uiteindelijk belanghebbenden van vennootschappen en andere juridische entiteiten.

De ministers van Financiën, Veiligheid en Justitie en Economische Zaken hebben een wetsvoorstel gepubliceerd ter implementatie van de Europese richtlijn. Naast bestrijding van witwassen en terrorismefinanciering heeft het register ook als doel om corruptie, fiscale misdrijven en belastingfraude te bemoeilijken. Het wetsvoorstel is nog niet naar de Tweede Kamer gestuurd, maar ter consultatie openbaar gemaakt. Wie dat wil, kan tot eind april commentaar leveren op het wetsvoorstel. Dat kan op de website overheid.nl.

Ondernemingen en rechtspersonen worden verplicht om informatie te hebben en bij te houden over wie hun uiteindelijk belanghebbenden zijn. Die informatie wordt bijgehouden in het register van uiteindelijk belanghebbenden. Dat register wordt onderdeel van het handelsregister en valt onder beheer van de Kamer van Koophandel. Een deel van de extra informatie wordt openbaar toegankelijk. Voor het Openbaar Ministerie, de politie, de Belastingdienst en de Financiële inlichtingen eenheid zijn alle gegevens toegankelijk. Op termijn worden deze instellingen verplicht om aan de Kamer van Koophandel te melden dat zij informatie hebben die afwijkt van de informatie in het handelsregister.

Het wetsvoorstel brengt wijzigingen aan in de Handelsregisterwet, de Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme en de Wet op de economische delicten.

Lees meer

Gebreken in administratie

  06-04-2017

Bij een boekenonderzoek bij een horecaondernemer stelde de Belastingdienst vast dat de detailgegevens van bestellingen verwijderd waren uit de administratie. Alleen de totaalbedragen per bestelling, de datum van de bestelling, het tijdstip van verkoop en de betaalwijze waren nog te raadplegen. De Belastingdienst meende dat de ondernemer niet aan zijn wettelijke administratieverplichtingen had voldaan door de detailgegevens niet te bewaren.

Hof Den Bosch oordeelde dat dit niet tot gevolg had dat de bewijslast moest worden omgekeerd en verzwaard. Volgens het hof had de Belastingdienst op basis van een vergelijking van de brutowinstpercentages van de onderneming met de in de branche gebruikelijke brutowinstpercentages een zinvolle controle van het verband tussen in- en verkopen kunnen maken. Volgens de Hoge Raad moeten de in een geautomatiseerd bestel- en kassasysteem ingevoerde detailgegevens bewaard worden als zij voor de heffing van belasting van belang zijn. Dat belang ontbreekt als de administratie voldoende andere gegevens bevat om de verantwoorde omzet in geld te kunnen controleren. Er is geen reden om de bewijslast om te keren en te verzwaren als de administratie slechts beperkte tekortkomingen kent.

Lees meer

Leidraad vergoeding vervroegde aflossing hypotheken

  30-03-2017

Wie vanwege de huidige lage rentestand zijn hypotheek vervroegd aflost of wil omzetten, wordt geconfronteerd met de berekening van boeterente door de bank. De wijze van berekening van het bedrag aan boeterente is vaak onduidelijk. De bank deelt de uitkomst van de berekening mee aan de klant, maar de berekening is niet te controleren. Daar is door een Europese richtlijn verandering in gekomen.

Op 14 juli 2016 is de Europese hypothekenrichtlijn in Nederland van kracht geworden. Deze richtlijn bevat voorschriften over de kosten die banken in rekening mogen brengen bij vervroegde aflossing van hypotheken. Volgens de richtlijn mogen banken niet meer kosten in rekening brengen dan het daadwerkelijke financiële nadeel dat zij lijden door de vervroegde aflossing.

In de Tweede Kamer zijn vragen gesteld over de berekening van het nadeel c.q. van de kosten die banken in rekening brengen. De Autoriteit Financiële Markten (AFM) heeft naar aanleiding van deze vragen onderzocht of de praktijk aansluit bij de aangescherpte regels van de richtlijn. Vervolgens heeft de AFM een leidraad opgesteld waarin wordt uitgelegd hoe het financiële nadeel bij vervroegde aflossing op een adequate wijze kan worden berekend. De leidraad heeft vier uitgangspunten.

  1. De vergoeding voor vervroegde aflossing wordt berekend over het bedrag van de vervroegde aflossing verminderd met het bedrag dat de klant contractueel vergoedingsvrij mag aflossen.
  2. De vergoeding wordt berekend aan de hand van een vergelijkingsrente. Dat is de rente die de bank aanbiedt voor een hypotheek met een looptijd die vergelijkbaar is met de resterende rentevastperiode. Als de bank geen vergelijkbare looptijd aanbiedt, kiest zij de hoogste naastgelegen rente.
  3. De vergoeding voor vervroegde aflossing mag niet hoger uitvallen door een inconsistente toepassing van de loan to value (LTV) verhouding bij het vaststellen van de vergelijkingsrente.
  4. De afgesproken toekomstige aflossingen van de klant worden meegenomen in de berekening van de vergoeding.

Deze wijze van berekenen van boeterente geldt niet voor vervroegde aflossingen die voor 14 juli 2016 hebben plaatsgevonden. Wie na die datum vervroegd heeft afgelost doet er goed aan de bank te vragen of het in rekening gebrachte bedrag aan boeterente in overeenstemming is met de leidraad van de AFM.

Lees meer

Middelingsverzoek te laat ingediend

  30-03-2017

De middelingsregeling is bedoeld als tegemoetkoming voor het progressienadeel dat optreedt bij sterk wisselende inkomens. Deze regeling houdt in dat de inkomens uit werk en woning (box 1) over drie aaneengesloten kalenderjaren worden samengeteld en gedeeld door drie. Aan de hand van het gemiddelde inkomen wordt vervolgens de belasting per jaar berekend. Als het verschil tussen de geheven inkomstenbelasting en premies volksverzekeringen en de berekende inkomstenbelasting en premies volksverzekeringen over de gemiddelde inkomens meer dan € 545 bedraagt, wordt het meerdere op verzoek teruggegeven. Kalenderjaren die eenmaal in een middeling zijn betrokken kunnen niet in een ander middelingsverzoek worden betrokken, tenzij de eerdere middelingsteruggaaf ongedaan is gemaakt.

Een verzoek om toepassing van de middelingsregeling moet binnen 36 maanden nadat de laatste aanslag over de drie kalenderjaren van het middelingstijdvak definitief vaststaat worden ingediend. Wanneer de aanslag over een jaar van het middelingstijdvak wordt verminderd door verrekening van een verlies uit een ander jaar, dan kan een verzoek om toepassing van de middelingsregeling ook nog worden gedaan binnen twee maanden na het tijdstip waarop de beschikking van verliesverrekening onherroepelijk is geworden. Als het verzoek later wordt ingediend hoeft de Belastingdienst het verzoek niet in behandeling te nemen.

Procedure
Onlangs heeft Hof Amsterdam geoordeeld in een procedure over een verzoek om toepassing van de middelingsregeling. Volgens het hof heeft de Belastingdienst in dit geval het verzoek terecht niet ontvankelijk verklaard. Het ging om een verzoek om middeling over de jaren 2005 tot en met 2007. Op het moment van indienen van het verzoek stonden de definitieve aanslagen over de betreffende jaren al meer dan drie jaar vast. Door verrekening van een verlies uit een later jaar werd de aanslag 2007 verminderd. Het middelingsverzoek had binnen zes weken nadat de verliesverrekeningsbeschikking onherroepelijk was geworden moeten zijn ingediend. De uiterste datum voor de indiening was 30 oktober 2014, maar het verzoek werd pas op 19 november 2014 door de Belastingdienst ontvangen. Een sluitende verklaring voor de te late indiening van het verzoek had de indiener niet. Daarom zag het hof geen aanleiding om de Belastingdienst op te dragen het verzoek in behandeling te nemen.

Lees meer

Bovenmatige kilometervergoeding

  30-03-2017

Een vergoeding voor reiskosten is vrijgesteld tot een bedrag van € 0,19 per zakelijk gereden kilometer. Wordt meer vergoed dan dat bedrag, dan vormt het meerdere loon.

Een werknemer ontving een vergoeding van € 0,31 per kilometer voor de zakelijk gereden kilometers. De werkgever merkte deze vergoeding aan als belastbaar loon voor het verschil tussen € 0,31 en € 0,19 per kilometer. De werknemer meende dat dit niet terecht was omdat de kosten per kilometer ten minste € 0,31 bedroegen. Om het in zijn ogen ten onrechte als loon aangemerkte bedrag in aftrek te brengen, verwerkte hij dit met een toelichting als studiekosten in zijn aangifte. De Belastingdienst accepteerde de aftrekpost niet.

In de procedure over de niet geaccepteerde aftrekpost voerde de werknemer aan dat sprake was van discriminatie tussen werknemers met een auto van de zaak, die geen belasting hoeven te betalen over de zakelijk gereden kilometers en werknemers die met hun privéauto zakelijke kilometers rijden en over de vergoeding, die zij ontvangen voor de zakelijk gereden kilometers, wel belasting moeten betalen.
Naar het oordeel van de rechtbank en het gerechtshof is de situatie van een werknemer die een privéauto mede zakelijk gebruikt zowel feitelijk als juridisch niet gelijk aan die van een werknemer met een auto van de zaak. De wetgever mag beide situaties dus verschillend behandelen.

Lees meer

Beperking wettelijke gemeenschap van goederen

  30-03-2017

De Eerste Kamer heeft een wetsvoorstel, dat de omvang van de wettelijke gemeenschap van goederen beperkt, aangenomen. De (volledige) gemeenschap van goederen is het huwelijksgoederenregime dat volgens de wet tot nu toe geldt wanneer echtgenoten geen afwijkende regeling hebben getroffen. Afwijking van de gemeenschap van goederen kan door het opstellen van huwelijksvoorwaarden.

Overnamerecht
Het nu aangenomen wetsvoorstel bevat een recht op overname van een gemeenschappelijk goed door een echtgenoot voor het geval een privéschuldeiser van de andere echtgenoot zich op dat goed wil verhalen. Bij de uitoefening van dat recht moet de echtgenoot de helft van de waarde van het goed vergoeden aan de gemeenschap, waarna het goed een privégoed is geworden. Financieren van de overname kan met privé spaargeld, maar ook met een privélening.

Bewijsvermoeden
Bij de afwikkeling van een huwelijksgoederengemeenschap geldt een bewijsvermoeden. Op grond daarvan wordt een goed als een gemeenschapsgoed aangemerkt als geen van de echtgenoten kan aantonen dat het goed tot zijn privévermogen behoort.

Verrekening
Het wetsvoorstel houdt geen finaal verrekenstelsel in. Een finaal verrekenbeding houdt in dat bij het einde van het huwelijk het vermogen wordt verdeeld alsof er een volledige gemeenschap van goederen was geweest. Wanneer echtgenoten dat willen, moeten zij dat regelen in huwelijkse voorwaarden.

Fiscale aspecten
Het aangenomen wetsvoorstel heeft geen nieuwe fiscale gevolgen. Bij de behandeling van het Belastingplan 2017 in de Tweede Kamer is de staatssecretaris van Financiën gevraagd om een reactie op een aantal specifieke voorbeelden die betrekking hebben op de eigenwoningregeling. De staatssecretaris heeft toegezegd zo snel mogelijk te reageren nadat duidelijk is wanneer het wetsvoorstel in werking zal treden. De staatssecretaris zal in zijn reactie ook ingaan op de fiscale consequenties van het vergoedingsrecht.

De fiscale gevolgen bij het overlijden van de partner zijn voor de langstlevende afhankelijk van het gekozen huwelijksgoederenregime. Dat verandert niet door dit wetsvoorstel. Het gekozen regime kan tijdens het huwelijk worden aangepast door het opstellen van huwelijkse voorwaarden.

Lees meer

Ontheffing concurrentiebeding

  30-03-2017

Wil een aan een werknemer opgelegd concurrentie- of relatiebeding rechtsgeldig zijn, dan moet het beding schriftelijk zijn vastgelegd. Deze eis wordt gesteld omdat een dergelijk beding bezwarend is voor de werknemer. Wanneer op een later moment ten gunste van de werknemer wordt afgeweken van een opgelegd concurrentie- of relatiebeding, is het niet nodig om deze afwijkingen schriftelijk vast te leggen. Bewijsrechtelijk is het echter wel aan te raden.

Dat de eis van schriftelijke vastlegging niet geldt voor een verzachting van een bestaand concurrentiebeding blijkt uit een recent arrest van Hof Den Haag. De procedure had betrekking op een werknemer, die in dienst trad bij een leverancier van zijn oude werkgever. Kort daarvoor was de moedermaatschappij van de oude werkgever failliet gegaan en waren de aandelen van de oude werkgever verkocht aan een directe concurrent van de leverancier van de oude werkgever. De leverancier beëindigde daarop de distributieovereenkomst met de oude werkgever. Een voormalige directeur van de oude werkgever verklaarde in de procedure dat hij op de hoogte was van de sollicitatie van de werknemer bij de leverancier en dat hij de werknemer voor zover nodig ontheffing had verleend van het concurrentie- en het relatiebeding. Op dat moment vormde deze bedingen geen belemmering voor de sollicitatie. Die belemmering onstond pas na het faillissement van de moedermaatschappij en de daaropvolgende overdracht van de aandelen.

Lees meer

Inhouding dividendbelasting

  23-03-2017

De algemene vergadering van aandeelhouders is het orgaan van de vennootschap dat bevoegd is om een dividenduitkering vast te stellen. Het bestuur van de vennootschap moet zijn goedkeuring aan het besluit verlenen voordat tot uitkering mag worden overgegaan. Het bestuur weigert alleen dan om een besluit tot dividenduitkering goed te keuren wanneer de vennootschap na uitkering niet in staat is om haar schulden te betalen. Dividendbelasting moet worden ingehouden op het moment waarop het dividend ter beschikking is gesteld. Feitelijke uitbetaling van het dividend is geen voorwaarde voor de inhouding van dividendbelasting.

Een bv beriep zich in een procedure op de nietigheid van het besluit tot dividenduitkering. Die nietigheid zou berusten op het feit dat het besluit niet in de notulen van de algemene vergadering van aandeelhouders was vastgelegd. Die vastlegging is volgens de rechtbank geen vereiste voor een rechtsgeldige dividenduitkering. Bepalend is of het eigen vermogen en de vrije reserves van de bv voldoende waren om het dividend uit te keren zonder in strijd te komen met de wet of met de statuten van de bv. Aan die eis was voldaan. De bestuurder van de bv had ingestemd met de dividenduitkering en had de aangifte dividendbelasting namens de bv ondertekend. Naar het oordeel van de rechtbank was het besluit tot uitkering van dividend rechtsgeldig. De gevraagde teruggave van dividendbelasting werd niet verleend. De vraag of nietigheid van het besluit tot dividenduitkering tot gevolg zou hebben dat achteraf bezien geen sprake was van dividend, is onbeantwoord gebleven.

Lees meer

Proceskostenvergoeding in samenhangende zaken

  23-03-2017

In belastingzaken kan een vergoeding voor de kosten van beroepsmatige rechtsbijstand worden verleend. In het Besluit proceskosten bestuursrecht is de regeling van de proceskostenvergoeding uitgewerkt. Daarin staat dat samenhangende zaken als één zaak worden beschouwd. Samenhangende zaken zijn zaken die door het bestuursorgaan of de rechter vrijwel gelijktijdig zijn behandeld, waarin rechtsbijstand is verleend door dezelfde persoon, terwijl zijn werkzaamheden in deze zaken nagenoeg identiek zijn. De gedachte achter deze regeling is het voorkomen dat een onredelijk hoge vergoeding wordt gegeven voor de werkzaamheden van de rechtsbijstandverlener in dergelijke zaken.

In iedere fase van de procedure – bezwaar, beroep, hoger beroep en cassatie – wordt afzonderlijk gekeken of sprake is van samenhangende zaken. Ook wanneer in een van de zaken, eventueel in een eerdere fase, een aanvullend geschilpunt aan de orde is, kunnen zaken als samenhangend worden aangemerkt. Bepalend daarvoor is dat de werkzaamheden van de rechtsbijstandverlener in de andere zaken nagenoeg identiek moeten zijn aan de werkzaamheden die hij voor het gemeenschappelijke punt van geschil heeft verricht in de zaak met het aanvullende geschilpunt. De beoordeling of de verrichte werkzaamheden nagenoeg identiek zijn, is beperkt tot de proceshandelingen zoals die in een bijlage bij het Besluit proceskosten bestuursrecht zijn opgesomd.

Lees meer

Hypotheekschuld dubbel verwerkt in aangifte

  16-03-2017

De Belastingdienst heeft de bevoegdheid om te weinig geheven belasting te corrigeren door het opleggen van een navorderingsaanslag. Om van die bevoegdheid gebruik te mogen maken moet de Belastingdienst wel beschikken over een nieuw feit. Dat is een feit dat de Belastingdienst ten tijde van het opleggen van de oorspronkelijke aanslag niet bekend was en ook niet bekend hoefde te zijn.

Iemand met een eigenwoningschuld van € 650.000 verwerkte deze schuld in de aangiften inkomstenbelasting niet alleen in box 1 bij de inkomsten uit eigen woning, maar ook in box 3. De inspecteur volgde de aangiften. Enkele jaren later kwam de inspecteur erachter dat dezelfde schuld tweemaal in de aangiften was opgenomen en legde hij navorderingsaanslagen op. De rechtbank vond dat de inspecteur in een van de betreffende jaren een nader onderzoek had moeten instellen. In de aangifte over dat jaar was bij beide schuldbedragen hetzelfde bedrag en hetzelfde rekeningnummer vermeld. Dat had de inspecteur aan de juistheid van deze gegevens moeten laten twijfelen. In hoger beroep voerde de inspecteur aan dat gezien de WOZ-waarde van de woning het niet onwaarschijnlijk was dat er twee hypotheekschulden waren, waarvan er een niet voor de eigen woning was besteed en daarom in box 3 was opgenomen. Het hof deelde de opvatting van de inspecteur en oordeelde dat de inspecteur beschikte over een nieuw feit. Navordering was over alle jaren toegestaan.

Lees meer

Overbruggingsregeling transitievergoeding

  16-03-2017

Bij ontslag op initiatief van de werkgever moet hij de ontslagen werknemer een transitievergoeding betalen. De hoogte van de vergoeding is gerelateerd aan de lengte van het dienstverband. Heeft het dienstverband nog geen twee jaar geduurd, dan hoeft geen transitievergoeding te worden betaald. Kleine werkgevers kunnen onder voorwaarden een beroep doen op de overbruggingsregeling transitievergoeding. Met toepassing van de overbruggingsregeling hoeft een werkgever bij ontslag van een werknemer niet de volledige transitievergoeding te betalen maar slechts een beperkte vergoeding. Een van de voorwaarden voor de toepassing van de overbruggingsregeling was dat de werkgever in de drie boekjaren, die voorafgaan aan het boekjaar waarin de arbeidsovereenkomst van een werknemer eindigt, verlies heeft geleden. Deze voorwaarde is per 1 juli 2016 in die zin aangepast dat de referentieperiode bestaat uit de jaren die aan het jaar waarin de ontslagvergunning wordt aangevraagd voorafgaan. De overbruggingsregeling mag alleen worden toegepast nadat het UWV een daartoe strekkende verklaring heeft afgegeven. Deze verklaring is geen beschikking waartegen bezwaar en beroep openstaan.

Een werkgever verzocht in 2015 het UWV om ontslagvergunningen voor enkele personeelsleden om bedrijfseconomische redenen. De werkgever diende ook een verzoek in om de overbruggingsregeling transitievergoeding voor kleine werkgevers toe te mogen passen. Het UWV verleende toestemming om de arbeidsovereenkomsten op te zeggen, maar weigerde een verklaring voor de overbruggingsregeling af te geven omdat de werkgever niet aan de voorwaarden voldeed. Uitgaande van ontslag in 2015 bestond de referentieperiode uit de jaren 2012 tot en met 2015. In 2012 had de werkgever nog een positief resultaat behaald.

Door de arbeidsovereenkomst van een van de werknemers op te zeggen met een langere opzegtermijn dan wettelijk vereist was, viel het einde van deze overeenkomst in 2016 in plaats van in 2015. De werkgever probeerde op die manier de referentieperiode te verschuiven naar de jaren 2013 tot en met 2015 om in aanmerking te komen voor de overbruggingsregeling. Naar het oordeel van het gerechtshof was de referentieperiode daardoor inderdaad verschoven. Toch stond het gerechtshof de werkgever niet toe om de overbruggingsregeling toe te passen. De reden voor de opzegging van de arbeidsovereenkomst was de slechte economische positie van de werkgever. In een dergelijke situatie is het niet redelijk om de opzegtermijn langer te maken dan strikt noodzakelijk met geen ander doel dan toepassing van de overbruggingsregeling mogelijk te maken. De werknemer had recht op betaling van de volledige transitievergoeding.

Lees meer

Eén of meer prestaties?

  16-03-2017

Voor de omzetbelasting geldt dat iedere prestatie afzonderlijk moet worden beschouwd. Onder omstandigheden kunnen afzonderlijke prestaties als één enkele handeling worden aangemerkt. Dat doet zich voor wanneer zij zo nauw met elkaar verbonden zijn dat zij objectief gezien één enkele en ondeelbare economische prestatie vormen, waarvan splitsing kunstmatig zou zijn. Ook wanneer sprake is van een hoofdprestatie en een of meer bijkomende prestaties wordt het geheel als één prestatie aangemerkt. Het belang van het aanmerken als één prestatie is gelegen in het tarief dat op de prestatie van toepassing is. Wanneer op alle onderdelen hetzelfde tarief van toepassing is, ontbreekt het belang.

Een organisator van obstacle runs verstrekte als tegenprestatie voor het inschrijfgeld aan de deelnemers ook een shirt met opdruk en een drankje bij de finish. Het shirt werd als wedstijdshirt aangemerkt. Volgens de algemene voorwaarden waren de deelnemers verplicht om het wedstrijdshirt te dragen tijdens het evenement, maar controle daarop vond niet plaats. Het shirt was niet lost te koop.

De deelname aan een sportevenement valt onder het lage tarief voor de omzetbelasting. De levering van kleding en de verstrekking van een drankje valt onder het normale tarief. De wedstrijdorganisator merkte de gecombineerde levering aan als één ondeelbare prestatie, die in zijn geheel onder het lage tarief viel. De rechtbank deelde deze opvatting niet. In de praktijk droegen de deelnemers het shirt niet tijdens de deelname en werd het achteraf uitgereikt. Nodig voor deelname was het dus niet. Dat gold ook voor het drankje bij de finish. De rechtbank paste de hoofdregel, dat elke prestatie zelfstandig moet worden beschouwd, in dit geval toe.

Volgens de rechtbank waren de levering van het wedstrijdshirt en het drankje geen bijkomende prestaties bij deelname. Een prestatie is bijkomend wanneer zij voor de afnemer geen doel op zich is, maar een middel om de hoofdprestatie aantrekkelijker te maken. Zowel de levering van het shirt als de levering van het drankje was volgens de rechtbank voor de deelnemers een doel op zich. Beide prestaties hebben zelfstandig een nuttige functie die losstaat van het meedoen aan de obstacle run. De levering van het shirt en van het drankje waren belast tegen het algemene tarief en deelden niet in het lage tarief van deelname aan de obstacle run.

Lees meer

Toepassing onbeperkte navorderingstermijn erfbelasting

  09-03-2017

In het verleden kwam het regelmatig voor dat mensen in het buitenland een bankrekening aanhielden en op die manier probeerden vermogen en inkomsten buiten het zicht van de Belastingdienst te houden. Door het opheffen van het bankgeheim en door onderlinge afspraken tussen landen over de automatische uitwisseling van gegevens over bankrekeningen is dat een stuk lastiger geworden. Het achteraf moeten betalen van belasting en boete over een reeks van jaren weerhoudt mensen ervan om schoon schip te maken door hun verzwegen vermogen en inkomsten alsnog op te geven.

De Belastingdienst heeft, wanneer aanvankelijk te weinig belasting is geheven, de mogelijkheid om dat te corrigeren door het opleggen van een navorderingsaanslag. De bevoegdheid om een navorderingsaanslag op te leggen vervalt na een termijn van vijf jaar na het tijdstip waarop de belastingschuld is ontstaan. Voor de belastingheffing over buitenlandse inkomens- of vermogensbestanddelen geldt een verlengde navorderingstermijn van twaalf jaar. Wie gedurende langere tijd zijn buitenlandse inkomens- of vermogensbestanddelen niet in zijn aangifte heeft verwerkt, kan dus geconfronteerd worden met een reeks aan navorderingsaanslagen.

De mogelijkheid om na te vorderen geldt ook voor de erfbelasting. Voor de inkomstenbelasting verzwegen buitenlands vermogen blijft ook vaak buiten de aangifte erfbelasting. Soms is dat onbewust, omdat de erfgenamen niet op de hoogte zijn van de buitenlandse bezittingen.

Uitsluitend voor de heffing van erfbelasting geldt sinds 1 januari 2012 een onbeperkte navorderingstermijn voor verzwegen buitenlands vermogen. De invoering van de onbeperkte navorderingstermijn geeft de Belastingdienst echter niet het recht om na te vorderen in gevallen waarin op 1 januari 2012 de twaalfjaarstermijn al was verstreken. Dat volgt uit de tekst van de wet. Ook volgens de wetsgeschiedenis geldt de onbeperkte navorderingstermijn niet met terugwerkende kracht, maar alleen voor zover op 1 januari 2012 de bevoegdheid tot navordering nog aanwezig was.

Lees meer

Wetsvoorstel uitfasering pensioen in eigen beheer aangenomen

  09-03-2017

De Eerste Kamer heeft met algemene stemmen het wetsvoorstel uitfasering van pensioen in eigen beheer aangenomen. De mogelijkheid om een pensioen in eigen beheer bij de bv voor de directeur-grootaandeelhouder (dga) op te bouwen is hierdoor afgeschaft. De wet introduceert een tijdelijke maatregel om een reeds opgebouwd pensioen in eigen beheer fiscaal vriendelijk af te kopen. Voor dga’s, die geen gebruik van de afkoopmogelijkheid kunnen of willen maken, biedt de wet de mogelijkheid om de pensioenvoorziening om te zetten in een oudedagsreserve of om de pensioenvoorziening te bevriezen. De wet is per 1 april van kracht geworden.

Ook de novelle, het wetsvoorstel dat is ingediend om het wetsvoorstel uitfasering pensioen in eigen beheer aan te passen nadat het was aangenomen door de Tweede Kamer, is door de Eerste Kamer aangenomen. De novelle heeft aan het oorspronkelijke wetsvoorstel de voorwaardelijke mogelijkheid tot aftrek van de lasten van de toekomstige indexatie van pensioenen toegevoegd.

De wet bevat ook enkele fiscale maatregelen die betrekking hebben op andere oudedagsvoorzieningen dan pensioen in eigen beheer. Deze maatregelen zijn bedoeld ter vereenvoudiging van de uitvoering van de wetgeving en ter vermindering van administratieve lasten.

Lees meer

Onderzoek KvK onder zzp’ers

  09-03-2017

De Kamer van Koophandel (KvK) heeft een onderzoek gehouden onder zzp’ers. Het onderzoek is gericht op de belemmeringen en obstakels waarmee zzp’ers geconfronteerd worden. De antwoorden op de vragen geven een ander inzicht in de positie van de zzp’er dan het beeld dat daarvan in de media wordt geschetst. Er hebben 580 zzp’ers meegedaan aan het onderzoek. Vrijwel alle deelnemers aan het onderzoek zien zichzelf als ondernemer en weten welke eisen de Belastingdienst aan het ondernemerschap stelt.

De KvK heeft gevraagd in hoeverre zzp’ers in 2016 meer dan in het jaar daarvoor zijn geconfronteerd met opdrachtgevers die liever geen zzp'ers inhuren. 18% van de respondenten heeft die ervaring. Daar staat tegenover dat 22% heeft aangegeven in 2016 minder vaak dan in 2015 geconfronteerd te zijn met opdrachtgevers die liever geen zzp’ers inhuren. Ook blijkt dat 30% van de respondenten heeft aangegeven minder vaak moeite te hebben gehad om aan nieuwe opdrachten te komen, waar 16% verklaart vaker moeite te hebben gehad om aan opdrachten te komen.

Uit het onderzoek leidt de staatssecretaris van Financiën af dat het aantal zzp’ers dat makkelijker aan opdrachten komt groter is dan het aantal zzp’ers dat meer moeite heeft met het vinden van opdrachten. Of de zzp'ers het in zakelijk opzicht in 2016 goed hebben gedaan is onbekend. De Belastingdienst onderzoekt of daarover op basis van de btw-aangiften conclusies zijn te trekken. Als uit de btw-aangiften conclusies te trekken zijn,  zal de staatssecretaris de uitkomsten aan de Kamer melden.

Lees meer

Belastingvrij schrappen vordering op dga?

  02-03-2017

Op grond van de Wet openbaarheid van bestuur (Wob) kan iemand een verzoek indienen om openbaarmaking van informatie van een overheidsorgaan. Het gaat om de openbaarmaking van gegevens die zijn vastgelegd in documenten, voor zover deze nog niet openbaar zijn. Het bestuursorgaan kan besluiten om documenten geheel of gedeeltelijk niet openbaar te maken.

De staatssecretaris heeft onlangs gereageerd op een verzoek om openbaarmaking met betrekking tot het beleid van het ministerie van Financiën en de Belastingdienst ten aanzien van het belastingvrij afboeken van een vordering van een bv op haar dga. Noch de Belastingdienst, noch het ministerie van Financiën heeft op dat punt beleid geformuleerd. Van geval tot geval wordt op basis van wet- en regelgeving en jurisprudentie een afweging gemaakt. Binnen de Belastingdienst is een memo verschenen met handvatten voor de praktijk. Dat memo en het intranetbericht waarin het memo is aangekondigd worden openbaar gemaakt. Er is geen projectgroep samengesteld en dus zijn er geen documenten van een dergelijke groep voorhanden. Ook is er geen definitief standpunt door de kennisgroep ingenomen. De correspondentie binnen de kennisgroep is opgesteld voor intern beraad en wordt niet openbaar gemaakt.

Het nu openbaar gemaakte memo is opgesteld als reactie op een artikel in het Weekblad voor Fiscaal Recht. In dat artikel wordt beschreven hoe het standpunt van de Belastingdienst dat een opgelopen rekening-courantschuld als een uitdeling wordt aangemerkt, in het voordeel van de belastingplichtige wordt omgebogen. Dat is aan de orde als de uitdeling langer dan vijf jaar geleden geconstateerd had moeten worden. De termijn om na te kunnen vorderen is dan verstreken. In andere gevallen zou het bestaan van een nieuw feit bestreden kunnen worden. Ook dan kan er niet worden nagevorderd over de achteraf geconstateerde uitdeling. In die gevallen zou de rekening-courantstand verdwenen zijn zonder enige heffing. De in het artikel beschreven methodiek wordt in de praktijk als een fiscaal product verkocht. De Belastingdienst zal voorkomende gevallen bestrijden.

Lees meer

Gebruik camerabeelden niet toegestaan voor controle privégebruik auto

  02-03-2017

Het gebruik door de Belastingdienst van gegevens die met camera’s van de politie worden verzameld voor de controle op het privégebruik van een auto van de zaak is niet toegestaan. Dat gebruik vormt een niet toegestane inbreuk op de privacy, omdat het niet is gebaseerd op de wet maar op een overeenkomst met de politie.

Voor het privégebruik van een auto van de zaak moet een bedrag bij het loon van de werknemer worden geteld. De werkgever hoeft geen bijtelling te doen als de werknemer hem een verklaring overhandigt dat hij de auto niet privé gebruikt. De werknemer moet aan de hand van een rittenadministratie kunnen bewijzen dat hij de auto in een kalenderjaar voor niet meer dan 500 km privé heeft gebruikt. Voor de controle op het privégebruik maakt de Belastingdienst gebruik van door camera’s van de politie verzamelde gegevens. Deze camera’s werken met automatische nummerplaatherkenning en staan op diverse plaatsen in het land op doorgaande wegen. De Belastingdienst bewaart alleen gegevens die fiscaal van belang kunnen zijn. De overige gegevens worden door de Belastingdienst direct vernietigd.

Volgens de Nederlandse Grondwet heeft iedereen recht op eerbiediging van zijn persoonlijke levenssfeer. Inbreuken daarop zijn alleen toegestaan als zij zijn gebaseerd op een wet in formele zin. De Hoge Raad legt dat vereiste zo uit, dat een inbreuk in het privéleven moet berusten op een naar behoren bekend gemaakt wettelijk voorschrift, waaruit de burger duidelijk kan afleiden welke privégegevens voor een bepaalde overheidstaak kunnen worden verzameld en vastgelegd, en onder welke voorwaarden die gegevens kunnen worden bewerkt, bewaard en gebruikt. Het gebruikmaken van gegevens van politiecamera’s door de Belastingdienst berust niet op een wettelijke regeling en is daarom niet toegestaan.

Lees meer

Hoge Raad komt met uitleg begrip woning voor overdrachtsbelasting

  02-03-2017

Bij de verkrijging van een onroerende zaak moet overdrachtsbelasting worden betaald. Het normale tarief is 6% van de koopsom. Voor woningen geldt een lager tarief van 2% van de koopsom. Sinds de verlaging van het tarief voor de overdrachtsbelasting voor woningen zijn er diverse procedures gevoerd over het begrip woning. De Hoge Raad heeft dat begrip in een aantal arresten uitgelegd.

Uitleg begrip
Volgens de memorie van toelichting bij het wetsvoorstel, waarin de verlaging van het tarief is geregeld, gaat het erom dat een pand naar zijn aard is bestemd voor bewoning. Of een pand feitelijk wordt bewoond is daarbij niet van belang. Evenmin is van belang of de koper de gekochte zaak wil gaan bewonen. De vraag of een onroerende zaak een woning is, moet worden beantwoord aan de hand van de kenmerken van het bouwwerk zelf. In eerste instantie moet worden gekeken naar het doel waarvoor een pand oorspronkelijk is ontworpen en gebouwd. Was dat bewoning, maar is het pand later verbouwd om het geschikt te maken voor ander gebruik, dan is het pand een woning gebleven als er slechts beperkte aanpassingen nodig zijn om het weer voor bewoning geschikt te maken. Kan op basis hiervan geen duidelijke conclusie worden getrokken, dan zijn door publiekrechtelijke voorschriften gestelde eisen of opgelegde beperkingen aan het gebruik van het pand mede van belang.

Toepassingen in de praktijk 

  • Een in 1895 gebouwde stadsvilla, die aanvankelijk werd bewoond maar later als kantoorpand is gebruikt, is een woonhuis gebleven. Het ontbreken van een keuken en een badkamer verhinderen die kwalificatie niet, omdat het pand met beperkte aanpassingen weer kan worden bewoond.
  • Een in 2006 als hospice gebouwd pand is geen woning. Anders dan het gerechtshof oordeelde, is het pand gebouwd en dus bestemd als verzorgingsinstelling. Dat volgt uit de kenmerken van het pand.
  • Een oorspronkelijk als woonhuis gebouwd pand, dat ten tijde van de verkoop als tandartspraktijk wordt gebruikt, heeft het karakter van woning niet verloren door dat gebruik. De oorspronkelijke indeling is behouden, al zijn bij de ingebruikname als praktijk de keuken- en badkamerinrichting verwijderd. Het is relatief eenvoudig om het pand geschikt te maken voor bewoning. In het pand is nog steeds een keukenruimte en een betegelde badkamerruimte aanwezig.
  • Ook een pand dat oorspronkelijk is gebouwd voor een ander doel dan bewoning maar later is verbouwd tot woning valt onder het lage tarief van de overdrachtsbelasting. Dat bleek in een procedure die betrekking had op een boerderij, die later werd verbouwd tot woonhuis. Na de verbouwing werd de voormalige boerderij als kantoorruimte gebruikt. Bepalend voor de kwalificatie als woning was dat het pand met beperkte aanpassingen kan worden bewoond en dat het ook naar zijn uiterlijke verschijningsvorm een woning is. De tijdelijke ontheffing van de woonbestemming voor het gebruik als kantoor is niet van invloed op de kwalificatie.

Lees meer

Ondernemer, ondanks beperkt aantal opdrachtgevers

  23-02-2017

De kwalificatie als ondernemer voor de inkomstenbelasting is van belang voor het recht op ondernemersaftrek. Iemand is ondernemer als hij zijn activiteiten zelfstandig uitoefent. Dat houdt in, dat hij zijn werkzaamheden niet onder toezicht en leiding van zijn opdrachtgever verricht en dat hij streeft naar continuïteit door verschillende opdrachten te verwerven en daarbij ondernemersrisico loopt. De beoordeling van het ondernemersrisico gebeurt aan de hand van factoren als het zelfstandig aantrekken en behouden van klanten en het lopen van financiële risico’s in verband met investeringen in bedrijfsmiddelen of debiteuren.

In een procedure voor de rechtbank over het ondernemerschap ging het om de vraag of voldaan was aan de eisen van voldoende zelfstandigheid en duurzaamheid. De Belastingdienst meende dat met name aan die laatste eis niet was voldaan omdat er maar enkele opdrachtgevers waren. De belastingplichtige had vanaf de start van zijn activiteiten in 2013 direct twee opdrachtgevers. In 2014 had hij drie opdrachtgevers kunnen hebben, maar om persoonlijke redenen zag hij zich gedwongen om de derde opdracht af te zeggen. In 2015 heeft de belastingplichtige voor vier opdrachtgevers gewerkt. Vanwege de onzekerheid die de procedure met de Belastingdienst inhield heeft de belastingplichtige eind 2015 tijdelijk een dienstbetrekking aanvaard.

Ten aanzien van het ondernemersrisico wees de belastingplichtige op het niet genieten van inkomsten bij ziekte of vakantie, de opzegbaarheid van de contracten met zijn opdrachtgevers en de door hem afgesloten arbeidsongeschiktheids- en aansprakelijkheidsverzekering. De rechtbank vond voldoende aannemelijk gemaakt dat sprake was van ondernemerschap. De rechtbank merkte daarbij op, dat het niet noodzakelijk is om gelijktijdig voor meerdere klanten te werken.

Lees meer

Verhuur studentenkamers

  23-02-2017

Levert de verhuur van studentenkamers belastbaar inkomen in box 1 of in box 3 op? Als de opbrengsten in box 1 vallen, gaat het dan om winst uit onderneming of om van resultaat uit overige werkzaamheden? Deze vragen zijn onlangs aan het gerechtshof voorgelegd. Bij de verhuur van onroerende zaken wordt de grens tussen vermogensbeheer en onderneming gevormd door de omvang van de persoonlijk verrichte arbeid en het daarmee behaalde rendement. Er is pas sprake van een onderneming als meer arbeid wordt verricht dan bij normaal vermogensbeheer gebruikelijk is en het daarmee behaalde rendement hoger ligt.

Procedure
De procedure betrof iemand die in 25 jaar tijd in totaal 23 panden heeft aangekocht, die hij gebruikt voor kamerverhuur. Het beheer van de panden is aanvankelijk gedeeltelijk en later geheel uitbesteed aan een externe partij. De eigenaar geeft de opbrengsten van de panden aan in box 3. Daarnaast beheert de eigenaar enkele panden voor een derde, waarvoor hij een wisselende vergoeding ontvangt. Deze vergoeding verantwoordt hij als resultaat uit overige werkzaamheden. De inspecteur is van mening dat sprake is van winst uit onderneming. Bij het vaststellen van de aanslagen over 2010 en 2011 is de inspecteur afgeweken van de aangiften. Over de jaren 2007 tot en met 2009 heeft de inspecteur navorderingsaanslagen opgelegd.

Onderneming
Een onderneming is een duurzame organisatie van kapitaal en arbeid, die deelneemt aan het maatschappelijke productieproces om daarmee winst te behalen. In dit geval moest de inspecteur aannemelijk maken dat de exploitant van de panden meer arbeid verrichtte in het kader van de verhuur dan gebruikelijk en dat het behaalde rendement hoger lag. Daar slaagde de inspecteur niet in. De door de inspecteur aangevoerde activiteiten als het innen van de huur, het regelen van nieuwe huurders, het opstellen van huurcontracten, het uitvoeren van inspecties na afloop van het huurcontract en het voeren van de administratie zijn werkzaamheden die passen bij normaal vermogensbeheer. De voor het beheer van de panden betaalde vergoeding van € 7.200 was in verhouding tot het aantal panden bescheiden. De navorderingsaanslagen over de jaren 2007 tot en met 2009 moeten volgens het hof worden vernietigd. De aanslagen voor de jaren 2010 en 2011 moeten overeenkomstig de ingediende aangiften worden vastgesteld.

Lees meer

Nietig proeftijdbeding

  23-02-2017

Het is wettelijk niet toegestaan om een proeftijd op te nemen in een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd van niet meer dan zes maanden. Een werkgever had een proeftijdbeding opgenomen in een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd. Met een beroep op het proeftijdbeding had de werkgever de arbeidsovereenkomst binnen een maand beëindigd. De werkgever stelde zich op het standpunt dat de arbeidsovereenkomst een duur had van zes maanden en één dag. Dat zou betekenen dat het proeftijdbeding geldig zou zijn.

Het gerechtshof vond dat de arbeidsovereenkomst niet duidelijk was geformuleerd. Er stond in, dat de werknemer in dienst trad voor de bepaalde tijd van zes maanden, maar ook dat de werknemer op 11 februari 2016 in dienst trad en dat de arbeidsovereenkomst derhalve van rechtswege eindigde op 11 augustus 2016. Dit riep de vraag op of was bedoeld dat de arbeidsovereenkomst liep tot of tot en met 11 augustus 2016. Het hof oordeelde dat de werknemer ervan mocht uitgaan dat een duur van zes maanden was overeengekomen. Het opnemen van een proeftijdbeding vond het hof niet voldoende om te concluderen dat partijen een duur van zes maanden en één dag overeen hadden willen komen.

Als de werkgever het verbod op een proeftijdbeding had willen omzeilen door een arbeidsovereenkomst van zes maanden en één dag aan te gaan, had de werkgever dit duidelijk moeten communiceren. Dat had hij niet gedaan. Het gevolg was dat het proeftijdbeding nietig was en de opzegging van de arbeidsovereenkomst onregelmatig. Op die grond verzocht de werknemer om schadevergoeding. Volgens de tekst van de wet is de schadevergoeding gelijk aan het bedrag van het loon in geld over de resterende periode van de arbeidsovereenkomst.

De rechter heeft de bevoegdheid om die vergoeding te verminderen. De vergoeding mag na vermindering niet lager zijn dan het loon voor drie maanden. Het hof maakte gebruik van zijn bevoegdheid om de schadevergoeding te matigen, omdat de ontslagen werknemer inmiddels bij een nieuwe werkgever in dienst was getreden.

Lees meer

Aftrek hypotheekrente niet-ingezetene naar rato van inkomen

  23-02-2017

Onlangs heeft het Hof van Justitie EU uitspraak gedaan op vragen van de Hoge Raad over de aftrek van hypotheekrente door iemand die niet in Nederland woont, maar wel inkomen heeft uit Nederland en geen inkomen in het woonland.

Uitbreiding mogelijkheden voor aftrek
Door het arrest van het Hof van Justitie EU in de zaak Schumacker uit 1995 konden niet-ingezetenen persoonlijke aftrekposten al in de werkstaat claimen als zij daar 90% of meer van het gezinsinkomen verdienen. Het Hof van Justitie EU heeft de mogelijkheid om aftrekposten te benutten voor niet-ingezetenen nu uitgebreid door te bepalen dat voldoende is dat 90% of meer buiten de woonstaat wordt verdiend. Als aan deze voorwaarde is voldaan, is aftrek in de werkstaat mogelijk. De aftrek gebeurt naar rato van het aandeel van het inkomen dat in een werkstaat wordt verdiend.

Procedure
De uitspraak van het Hof van Justitie EU is gewezen in de situatie van een in Spanje wonende Nederlander. Deze persoon was dga van twee bv’s. Een bv was gevestigd in Nederland; de andere in Zwitserland. De dga verdiende 60% van zijn inkomen bij de Nederlandse bv en 40% bij de Zwitserse bv. In Spanje had hij een eigen woning. De betaalde hypotheekrente kon hij daar niet in aftrek brengen. Volgens het Hof van Justitie EU heeft de dga in Nederland recht op aftrek van 60% van de betaalde hypotheekrente. Dit percentage komt overeen met het deel van het inkomen waarover Nederland heffingsbevoegdheid heeft. Volgens het Hof van Justitie EU is voor de omvang van het recht op aftrek niet van belang of de niet-ingezetene een deel van zijn inkomen ontvangt uit een land dat geen deel uitmaakt van de EU.

Lees meer

Risico’s van overname lijfrenteverplichting

  17-02-2017

Verkoopt een ondernemer zijn onderneming, dan kan hij als tegenprestatie van de overnemer een lijfrente bedingen. Dat komt nogal eens voor bij de overdracht van de onderneming aan een eigen bv. Draagt de bv deze lijfrenteverplichting over aan een andere partij dan een professionele verzekeringsmaatschappij, dan is niet langer voldaan aan de voorwaarden voor de aftrek van lijfrentepremie. Een voorbeeld van een dergelijke niet toegestane overdracht is de overdracht door de bv, die de onderneming heeft overgenomen, aan de persoonlijke holding van de ondernemer.

Toegelaten verzekeraar
De koopsom of premie voor een lijfrenteverzekering is alleen aftrekbaar van het belastbare inkomen als de verzekering wordt afgesloten bij een toegelaten verzekeraar. Welke instellingen dat zijn, wordt in de wet opgesomd. Het kan een bank of een professionele verzekeringsmaatschappij zijn. In Nederland wonende personen of gevestigde rechtspersonen kunnen ook verzekeraar zijn, op voorwaarde dat de lijfrente wordt bedongen als tegenprestatie voor de overdracht van een onderneming.

Financiële consequenties
Wordt niet of niet meer aan deze voorwaarden voldaan, dan wordt de waarde van de lijfrente bij het belastbare inkomen geteld. Naast de belastingheffing wordt ook revisierente in rekening gebracht. Dat is een extra heffing van 20% over de waarde van de lijfrente in het economisch verkeer.

Uitspraak Hof Den Haag
Twee ondernemers brachten hun aandeel in een vof (vennootschap onder firma) onder in een bv. De aandelen in de bv werden gehouden door de persoonlijke holdings van de twee ondernemers. Bij de overdracht van de onderneming bedongen ze een lijfrente als tegenprestatie. Jaren later worden de aandelen in de bv verkocht aan derden. Omdat de ondernemers voor hun lijfrenten niet afhankelijk willen zijn van de kopers van de bv, laten zij de lijfrenteverplichtingen voor de overdracht van de aandelen overnemen door hun persoonlijke holdings. Daar ging het mis, want de holdings zijn geen toegelaten verzekeraars. De lijfrenten werden niet bedongen als tegenprestatie voor de overdracht van een onderneming aan de persoonlijke holdings. Dat de lijfrenteverplichtingen op reguliere wijze door de holdings werden afgewikkeld, vond het hof niet van belang. De overname van de lijfrenteverplichtingen door de holdings kwalificeerde als afkoop van de lijfrente. De waarde in het economisch verkeer van de lijfrente werd bij ieder van de ondernemers als negatieve uitgave voor inkomensvoorziening tot het belastbare inkomen gerekend. Over de waarde van de lijfrente moesten zij ook nog eens 20% revisierente betalen.

Moraal
Gezien de grote financiële belangen moet u zeer voorzichtig zijn bij de overdracht van lijfrenteverplichtingen.

Lees meer

Onttrekking aan het vermogen van de bv

  16-02-2017

Een lening van een bv aan haar aandeelhouder, die niet afgelost kan of zal worden, heeft mogelijk fiscale gevolgen. Wanneer de bv en de aandeelhouder zich ervan bewust zijn dat de lening niet zal worden afgelost, is sprake van een onttrekking aan het vermogen van de bv. Deze onttrekking vormt belastbaar inkomen voor de aandeelhouder. De inspecteur, die stelt dat sprake is van onttrekking, moet dit aannemelijk maken. In de volgende zaak is de inspecteur volgens de rechtbank hierin geslaagd.

Oplopende rekening-courantschuld
De rekening-courantschuld van een dga aan zijn bv liep tussen 2009 tot 2011 met tienduizenden euro’s op. Er was geen schriftelijke rekening-courantovereenkomst opgesteld en de dga had geen zekerheden voor de betaling van rente en aflossing gesteld. Een schema voor de betaling van aflossing en rente ontbrak. De bv had geen incassomaatregelen getroffen. De Belastingdienst merkte de opgelopen schuld aan als een onttrekking. Het bedrag van de rekening-courantschuld werd als door de dga genoten dividend beschouwd. Dat is belast in box 2 als inkomen uit aanmerkelijk belang.

Oordeel rechtbank
Gelet op de feiten en omstandigheden besliste de rechtbank dat de inspecteur erin was geslaagd de onttrekking aannemelijk te maken. De dga beschikte niet over voldoende inkomen of vermogen om de rekening-courantschuld te kunnen aflossen. Dat ruim na 2011 (nadat de discussie met de inspecteur over de opgelopen rekening-courantschuld was ontstaan) alsnog een schriftelijke overeenkomst werd opgemaakt, deed daaraan geen afbreuk.

Lees meer

Tijdklemmen kapitaalverzekeringen vervallen per 1 april 2017

  16-02-2017

De uitkering uit een kapitaalverzekering eigen woning (KEW) is vrijgesteld van inkomstenbelasting wanneer aan een aantal voorwaarden is voldaan. Er wordt onderscheid gemaakt tussen een lage en een hoge vrijstelling. Voor de lage vrijstelling geldt dat ten minste 15 jaar jaarlijks premie moet zijn betaald. Voor de hoge vrijstelling moet ten minste 20 jaar premie zijn betaald. De jaarpremies mogen de verhouding 1:10 niet overschrijden en de uitkering moet worden gebruikt voor aflossing van de eigenwoningschuld. Deze regeling geldt niet alleen voor de KEW, maar ook voor de spaarrekening eigen woning (SEW) en het beleggingsrecht eigen woning (BEW).

Vervallen tijdklemmen
In een aantal situaties hoeft niet voldaan te zijn aan de duur van premiebetaling om toch een vrijgestelde uitkering te ontvangen. Bij de behandeling van het wetsvoorstel Overige fiscale maatregelen 2017 heeft de Tweede Kamer een amendement aangenomen om de voorwaarde van de duur van premiebetaling, de zogenoemde tijdklemmen, te laten vervallen. Over de gevolgen daarvan is overleg gevoerd tussen het Ministerie van Financiën, De Nederlandsche Bank, de Autoriteit Financiële Markten en het Verbond van Verzekeraars. Dat heeft ertoe geleid dat de staatssecretaris van plan is via een koninklijk besluit de tijdklemmen af te schaffen per 1 april 2017.

In veel gevallen is het overigens niet gunstig om een KEW, SEW of BEW voortijdig te beëindigen, omdat de kosten aan het begin van de looptijd vallen en de opbouw van vermogen en het rendement pas na de eerste jaren plaatsvindt.

Overige kapitaalverzekeringen
In het verleden (voor de invoering van de Wet IB 2001) golden de tijdklemmen ook voor andere kapitaalverzekeringen dan de KEW. Dergelijke verzekeringen kunnen nog steeds bestaan. Ook voor deze verzekeringen kunnen de tijdklemmen vervallen. Omdat het eerder genoemde amendement geen betrekking heeft op deze kapitaalverzekeringen zal dit in een beleidsbesluit van de staatssecretaris worden geregeld.

Goedkeuring
Door het amendement wordt de wettelijke eis dat ten minste 15 jaar jaarlijks premie moet zijn voldaan gewijzigd in de eis dat gedurende de gehele looptijd jaarlijks premie is voldaan. Dat zou tot gevolg hebben dat polissen met een looptijd van 30 jaar, die na 20 jaar premiebetaling premievrij zijn gemaakt, niet aan de eisen voor een vrijstelling voldoen. De staatssecretaris zal in een beleidsbesluit goedkeuren dat personen, die gebruik hebben gemaakt van de mogelijkheid om de polis na ten minste 15 jaar premiebetaling premievrij te maken, geacht worden te hebben voldaan aan de eis dat gedurende de looptijd jaarlijks premie is voldaan.

Lees meer

Factuur uitgereikt voor aanvang prestatie

  09-02-2017

De wet verplicht ondernemers om voor hun leveringen en diensten aan andere ondernemers een factuur uit te reiken. Ondernemers ontlenen aan deze factuur het recht op aftrek van de aan hen in rekening gebrachte omzetbelasting. Daarvoor moet de factuur wel voldoen aan de wettelijke eisen. De wet schrijft niet voor op welk tijdstip een factuur kan worden uitgereikt. Dit betekent dat een factuur kan worden uitgereikt voordat de overeengekomen prestatie is verricht. Een document dat voldoet aan vrijwel alle eisen die aan een factuur gesteld worden, kan als factuur worden aangemerkt.

Wel of geen factuur?
In een procedure voor Hof Den Bosch kwam de vraag aan de orde of een door een leverancier opgesteld document een factuur was. Het antwoord op deze vraag was bepalend voor het jaar waarin de afnemer recht op aftrek van voorbelasting had. Het document had betrekking op een nog te bouwen bedrijfspand en vermeldde een factuurnummer, de totale prijs en de daarover verschuldigde omzetbelasting. De Belastingdienst accepteerde het document niet als factuur en legde aan de afnemer een naheffingsaanslag op, ter correctie van de hem eerder verleende teruggaaf. Het hof stelde vast dat het document voldeed aan vrijwel alle voorwaarden die aan een factuur worden gesteld. De afnemer had de factuur niet betaald in 2008, maar de omzetbelasting wel in aftrek gebracht. De leverancier had de omzetbelasting niet in 2008 afgedragen, maar reikte in 2009 naarmate de bouw vorderde deelfacturen uit. De op die deelfacturen in rekening gebrachte omzetbelasting bracht de afnemer niet in aftrek. Hof Den Bosch accepteerde het document als factuur en vernietigde de naheffingsaanslag.

Het hof verwees in zijn uitspraak naar een arrest van het Hof van Justitie EU uit 2016. In dat arrest is geoordeeld dat de Belastingdienst aftrek van voorbelasting niet mag weigeren omdat de factuur niet voldoet aan alle formele voorwaarden wanneer de Belastingdienst weet dat is voldaan aan de materiële voorwaarden voor het recht op aftrek. In dit geval had de Belastingdienst ook rekening moeten houden met de in de aannemingsovereenkomst vermelde gegevens.

Lees meer

Vanaf 21 jaar recht op volledig wettelijk minimumloon

  09-02-2017

De Eerste Kamer heeft de wijziging van de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag als hamerstuk aangenomen. Jongeren vanaf 21 jaar krijgen daardoor recht op het het volledige wettelijk minimumloon. Volgens de oude wet ontstond het recht op een volledig wettelijk minimumloon pas op 23-jarige leeftijd. Voor 18- tot 20-jarigen gaat het wettelijk minimumjeugdloon omhoog. De wet is inmiddels in het Staatsblad geplaatst. Bij Koninklijk Besluit zal worden bepaald wanneer de wetswijzigingen in werking treden.

Het volledige wettelijk minimumloon bedraagt sinds 1 januari 2017 € 1.551,60 bruto per maand of € 358,05 per week.

Door de wetswijziging is ook een duidelijke grondslag gecreëerd voor de betaling en handhaving van het minimumloon over meerwerk. Daarnaast is de stukloonregeling aangepast om te voorkomen dat betaling op basis van stukloon leidt tot betaling beneden het minimumloon.

Lees meer

Aanpassing zwangerschaps- en bevallingsverlof meerlingen

  09-02-2017

Bij de Tweede Kamer is een wetsvoorstel in behandeling dat een uitbreiding van het kraamverlof voor de partner regelt. Via een nota van wijziging bij dit wetsvoorstel wordt een aanpassing in de regeling van het zwangerschaps- en bevallingsverlof bij meerlingen aangebracht. Deze regeling is per 1 april 2016 gewijzigd via de Wet Modernisering regelingen voor verlof en arbeidstijden. Sindsdien is het zwangerschapsverlof bij de zwangerschap van een meerling verlengd met vier weken tot een totaal van tien weken. Het zwangerschapsverlof gaat tien weken voor de beoogde datum van bevalling in. Het zwangerschapsverlof mag twee weken worden uitgesteld. Bij deze aanpassing is verzuimd om de verlenging van het bevallingsverlof bij vroeggeboorte aan te passen. Het bevallingsverlof wordt verlengd met het aantal dagen dat het zwangerschapsverlof korter heeft geduurd dan zes weken. Dat onderdeel van de regeling wordt nu aangepast, waardoor het totale verlof van rond de bevalling van een meerling uitkomt op twintig weken, ook in het geval van vroegtijdige bevalling.

De minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid heeft in zijn toelichting bij de nota van wijziging opgemerkt dat de aanpassing van de regeling van het meerlingenverlof niet met terugwerkende kracht zal worden aangepast. Ook komt er geen financiële compensatie. Het wetsvoorstel heeft onmiddellijke werking. Dat betekent dat ook vrouwen, die bij inwerkingtreding van de wet meerlingenverlof genieten, profiteren van de uitbreiding daarvan.

Lees meer

Box 3-heffing blijft voor 2014 overeind

  02-02-2017

Voor de heffing van inkomstenbelasting over de opbrengsten van sparen en beleggen (box 3) wordt een rendement verondersteld van 4% per jaar. Bij de invoering van de Wet IB 2001 heeft de minister van Financiën over dat forfaitaire rendement gezegd dat 4% het reële rendement is dat een particulier op langere termijn met risicovrij beleggen moet kunnen halen.

In een proefprocedure over het belastingjaar 2014 over de heffing in box 3 oordeelde de rechtbank Noord-Nederland dat de vraag, of het door de wetgever veronderstelde langjarige rendement van 4% niet meer haalbaar is, pas na verloop van een periode van tien jaar kan worden beantwoord. In die periode moet het rendement op risicoarme beleggingen lager zijn geweest dan 4%. De belanghebbende in deze procedure slaagde er niet in om te bewijzen dat eind 2013 al tien aaneengesloten jaren met onderrendement waren verstreken. Aan de beoordeling of belastingplichtigen door de belastingheffing in box 3 worden geconfronteerd met een buitensporig zware last kwam de rechtbank niet meer toe.

De rechtbank wees op een arrest van de Hoge Raad uit 2016, waarin is geoordeeld dat het forfaitaire stelsel van box 3 als zodanig toelaatbaar is.

Lees meer