Nieuws

Uitleg regeling belastingrente

  22-06-2017

De staatssecretaris van Financiën heeft Kamervragen over de belastingrente beantwoord. Door het systeem van vergoeden en in rekening brengen van belastingrente wordt minder rente vergoed door de Belastingdienst dan in rekening wordt gebracht. Er wordt namelijk niet meer automatisch rente vergoed aan een belastingplichtige die na afloop van het jaar een bedrag terugkrijgt. De hoofdregel is dat de Belastingdienst alleen rente vergoedt als zij niet tijdig beslist op een aangifte of een verzoek. De staatssecretaris kan zich voorstellen dat belastingplichtigen de regeling belastingrente onrechtvaardig vinden. In het verleden werd wel rente vergoed en was het mogelijk om te "sparen" bij de Belastingdienst.

Naast de regeling belastingrente bestaat de regeling invorderingsrente. De ontvanger vergoedt invorderingsrente als een uit te betalen bedrag niet binnen zes weken is uitbetaald of verrekend. Vergoeding van invorderingsrente vindt niet plaats als het aan de belastingplichtige is te wijten dat de uitbetaling niet tijdig kan plaatsvinden. Wanneer een verzoek om uitstel van betaling is geweigerd, wordt bij latere vermindering of vernietiging van de aanslag, waarop het verzoek betrekking heeft, invorderingsrente vergoed.

Lees meer

Kamervragen verplichte hypotheekrenteaftrek

  22-06-2017

De staatssecretaris van Financiën heeft Kamervragen over de verplichte hypotheekrenteaftrek beantwoord. De staatssecretaris bevestigt dat het mogelijk is dat iemand per saldo inkomstenbelasting moet betalen over de eigen woning door de beperking van de hypotheekrenteaftrek in de hoogste tariefschijf. De bijtelling voor de eigen woning is in dergelijke situatie tegen het normale tarief belast, terwijl de aftrek van hypotheekrente tegen een lager tarief plaatsvindt. Het effect van deze tariefmaatregel wordt vooral duidelijk wanneer tegelijk een andere maatregel van toepassing is. Deze andere maatregel voorkomt een bijtelling bij het inkomen wanneer het eigenwoningforfait hoger is dan de betaalde hypotheekrente. Volgens de staatssecretaris was dit effect bij de invoering van de tariefmaatregel al duidelijk. Er is destijds een amendement ingediend om dit te voorkomen, maar dat amendement is niet aangenomen.

Bij de behandeling van de tariefmaatregel in de Tweede Kamer heeft de staatssecretaris geschreven dat belastingplichtigen ervoor kunnen kiezen om de kosten van de eigen woning vanaf 2014 niet in box 1 in aftrek te brengen. Volgens de staatssecretaris wordt die opmerking ten onrechte opgevat als een keuzemogelijkheid voor belastingplichtigen om betaalde hypotheekrente al dan niet in aftrek te brengen. Die keuze is er niet, al is er wel een keuze om de schuld niet in box 1 maar in box 3 te laten vallen. Wanneer de schuld in box 3 valt, is de rente niet aftrekbaar in box 1. Een schuld gaat naar box 3 wanneer deze niet voldoet aan de voorwaarden voor een eigenwoningschuld. De staatssecretaris wijst erop dat de wettelijke systematiek onveranderd is en dat het beleid van het ministerie ook niet is gewijzigd. Iedere belastingplichtige is verplicht om zijn aangifte juist en volledig in te vullen. Dit geldt ook voor aftrekposten. Het niet opnemen van een aftrekpost in een aangifte zal niet snel leiden tot het opleggen van een boete, omdat er meestal geen heffingsbelang is voor de Belastingdienst is. Bij de eigen woning kan per saldo wel sprake zijn van een heffingsbelang.

Op de vraag of hij zelf alle regels rondom de hypotheekrenteaftrek begrijpt, antwoordt de staatssecretaris dat de regels complex zijn. Voor een gedetailleerd uitgeschreven uiteenzetting verwijst de staatssecretaris naar de tekst van de Wet IB 2001.

Lees meer

Geen hoge vrijstelling erfbelasting

  22-06-2017

De erfbelasting kent een hoge vrijstelling voor de partner. Niet iedereen komt in aanmerking voor het partnerschap. Bloedverwanten in de rechte lijn worden niet als partners aangemerkt, tenzij de bloedverwant in de eerste graad een mantelzorgcompliment heeft genoten omdat hij in het jaar voor het jaar van overlijden zorg aan de erflater heeft verleend.

Naar het oordeel van Hof Arnhem-Leeuwarden is toepassing van de partnervrijstelling terecht achterwege gelaten bij de vaststelling van een aanslag erfbelasting, die werd opgelegd aan een zoon van de overledene. De zoon en de vader voerden gezamenlijk een huishouding, tot het overlijden van de vader. De zoon voldeed niet aan de voorwaarde dat hem in verband met de zorg voor zijn vader een mantelzorgcompliment is verleend. Het hof wees het beroep op toepassing van het gelijkheidsbeginsel af. De staatssecretaris van Financiën heeft in een besluit goedgekeurd dat bij een overlijden in 2010 of 2011 de eis van het genieten van een mantelzorgcompliment niet in alle gevallen geldt. De door de staatssecretaris aangevoerde reden voor de goedkeuring deed zich in de jaren na 2011 niet meer voor. Overigens was ook niet voldaan aan de andere voorwaarden die aan toepassing van de goedkeurende regeling werden gesteld.

Lees meer

Omvang loondoorbetalingsverplichting

  22-06-2017

Werkgevers zijn verplicht gedurende de eerste twee jaar van ziekte het loon van een zieke werknemer door te betalen. In de wet is geregeld welk deel van het loon in ieder geval betaald moet worden. In het eerste ziektejaar moet de werkgever minstens 70% van het loon, maar niet minder dan het wettelijk minimumloon doorbetalen. Na het eerste jaar vervalt de eis dat niet minder dan het wettelijk minimumloon doorbetaald moet worden. De eis dat minstens 70% van het loon wordt doorbetaald blijft wel in stand. In een cao kan worden vastgelegd dat een hoger bedrag dan het wettelijk minimum wordt betaald. De verplichting om het loon door te betalen kan worden verlengd als de werkgever zich niet houdt aan de verplichting om de werknemer zo snel mogelijk in het arbeidsproces te laten re-integreren.

Hoogte loon bij verlengde doorbetalingsverplichting
Aan een werkgever die niet aan zijn re-integratieverplichtingen voor een arbeidsongeschikte werknemer had voldaan, werd door het UWV een loonsanctie opgelegd. De werkgever moest daardoor het loon van de werknemer in diens derde ziektejaar doorbetalen. Omdat de werkgever niet aan die verplichting voldeed, vorderde de werknemer in kort geding betaling van loon. Volgens de geldende cao had de werknemer in het tweede ziektejaar recht op 90% van zijn loon. De kantonrechter veroordeelde de werkgever tot doorbetaling van 90% van het loon, rekening houdend met de in de cao afgesproken verhogingen per 1 juli 2016 en per 1 januari 2017. In hoger beroep bestreed de werkgever dat hij 90% van het loon moest betalen. Het hof honoreerde het standpunt van de werkgever en verlaagde de doorbetalingsverplichting tot 70% van het loon. Volgens het hof is dat bedrag het uitgangspunt voor de wettelijke regeling van de loondoorbetalingsverplichting bij ziekte. Het hof acht aannemelijk dat de bodemrechter tot eenzelfde oordeel komt.

Lees meer

Wijzigen Arbeidsomstandighedenwet

  22-06-2017

Per 1 juli 2017 treedt de gewijzigde Arbeidsomstandighedenwet in werking. De wet wordt op de volgende onderdelen aangepast:

  1. De positie van de preventiemedewerker is versterkt.
  2. De adviserende rol van de bedrijfsarts is verduidelijkt.
  3. Werknemers hebben recht op een consult van de bedrijfsarts.
  4. De positie van de bedrijfsarts en andere arbodienstverleners is verbeterd.
  5. Het basiscontract arbodienstverlening is ingevoerd.

De positie van de preventiemedewerker
Een van deze verplichtingen uit de Arbeidsomstandigheden wet is het aanstellen van een preventiemedewerker. Tot de taken van de preventiemedewerker behoort het opstellen van de risico-inventarisatie en -evaluatie. Om de betrokkenheid bij de keuze van de preventiemedewerker te vergroten heeft het medezeggenschapsorgaan van het bedrijf instemmingsrecht over de persoon en positie van de preventiemedewerker. Het medezeggenschapsorgaan wordt daardoor medeverantwoordelijk voor het functioneren van de preventiemedewerker.

De rol van de bedrijfsarts bij verzuimbegeleiding
De werkgever is verantwoordelijk voor de verzuimaanpak. De bedrijfsarts heeft daarin een ondersteunende rol. Om te voorkomen dat de bedrijfsarts de belangen van de werkgever zwaarder laat wegen dan de gezondheid van de werknemer is de adviserende rol van de bedrijfsarts duidelijker omschreven in de wet.

Consult bij de bedrijfsarts
Iedere werknemer heeft de mogelijkheid om een bedrijfsarts te consulteren. De bedoeling daarvan is dat werknemers de bedrijfsarts consulteren voordat klachten leiden tot verzuim. Toestemming van de werkgever voor een consult is niet nodig. De werkgever mag niet geïnformeerd worden over het consult, de aanleiding daartoe of de uitkomsten van het consult.

Basiscontract arbodienstverlening
De wet stelt minimumeisen aan het contract tussen arbodienstverleners en werkgevers. Het basiscontract omvat de wettelijke taken waarbij een werkgever zich moet laten ondersteunen door een arbodienst. De wet bevat vier specifieke rechten en verplichtingen die moeten bijdragen aan een goede beroepsuitoefening door de bedrijfsarts.

  1. De werkgever moet de bedrijfsarts de gelegenheid geven om iedere werkplek te bezoeken.
  2. De bedrijfsarts moet de werknemer de mogelijkheid bieden om een second opinion te vragen.
  3. De bedrijfsarts moet een klachtenprocedure hebben.
  4. De bedrijfsarts en andere arbodeskundigen hebben het recht om met het medezeggenschapsorgaan te overleggen.

Deze rechten en verplichtingen worden in de overeenkomst tussen werkgever en bedrijfsarts uitgewerkt.

Lees meer

Uitspraak collectief bezwaar btw over privégebruik van een auto

  15-06-2017

De Belastingdienst heeft sinds 2011 circa twee miljoen bezwaarschriften ontvangen in verband met de omzetbelasting inzake het privégebruik van een auto van de zaak. Deze bezwaarschriften hebben geleid tot een viertal procedures. In afwachting van de uitkomst van deze procedures zijn de overige bezwaarschriften aangehouden. De staatssecretaris heeft deze bezwaarschriften aangemerkt als massaal bezwaar. De Belastingdienst ging er tot nu toe vanuit dat de omvang van het privégebruik uit de administratie van een belastingplichtige moet blijken. Als dat niet het geval is, kan de ondernemer de forfaitaire regeling toepassen. De forfaitaire regeling houdt in dat bij de aangifte omzetbelasting over het laatste tijdvak van een kalenderjaar 2,7% van de waarde van de auto als omzetbelasting over het privégebruik wordt afgedragen.

De Hoge Raad heeft op 21 april 2017 arrest gewezen in de vier procedures. De Hoge Raad heeft voor het aantonen van het daadwerkelijke privégebruik nadere regels gegeven. Wanneer de administratie van een ondernemer geen gegevens bevat waaruit de omvang van het privégebruik is af te leiden en toepassing van de forfaitaire regeling tot een te hoge btw-heffing leidt, moet de omvang van het privégebruik in redelijkheid worden bepaald. De ondernemer zal in een dergelijk geval gegevens moeten verstrekken over de omvang van het privégebruik.
Na de arresten van de Hoge Raad heeft de inspecteur een collectieve uitspraak gedaan op de ingediende bezwaarschriften. Deze uitspraak is gepubliceerd in de Staatscourant en op www.belastingdienst.nl. In de collectieve uitspraak worden de bezwaren ongegrond verklaard met uitzondering van de bezwaren inzake de lagere, werkelijke omvang van het privégebruik auto. De inspecteur biedt in de uitspraak een termijn van zes weken voor de nadere motivering van het bezwaarschrift. Tegen de collectieve uitspraak kan geen beroep worden ingesteld.

Lees meer

Status reactie verzoek fiscale eenheid omzetbelasting

  15-06-2017

Op grond van de Algemene wet inzake rijksbelastingen kan bezwaar of beroep worden ingesteld tegen een belastingaanslag of een voor bezwaar vatbare beschikking. De vraag of de afwijzing van een verzoek om uitbreiding van een fiscale eenheid voor de omzetbelasting een beschikking is, waartegen bezwaar kan worden gemaakt, beantwoordt Hof Den Haag bevestigend. Volgens de Wet op de omzetbelasting merkt de inspecteur ondernemers die in financieel, organisatorisch en economisch opzicht een eenheid vormen, bij voor bezwaar vatbare beschikking aan als één ondernemer. De beslissing op een verzoek om uitbreiding van een bestaande fiscale eenheid valt naar het oordeel van het hof onder dezelfde bepaling van de Wet op de omzetbelasting.

Eerder had de rechtbank het bezwaar niet ontvankelijk verklaard. Volgens de rechtbank was de beslissing op het verzoek om uitbreiding van de fiscale eenheid geen voor bezwaar vatbare beschikking. De inspecteur had het verzoek afgewezen, omdat niet was voldaan aan de eis van onderlinge financiële, organisatorische en economische verwevenheid. De rechtbank moet nu nogmaals beslissen in deze zaak.

Lees meer

Nettoloon in rekening-courant

  15-06-2017

Loon wordt geacht te zijn genoten op het tijdstip waarop het is ontvangen, verrekend, ter beschikking gesteld, rentedragend of vorderbaar en inbaar is geworden. Het verrekenen van het nettoloon in een rekening-courantverhouding tussen een bv en haar dga is volgens de rechtbank een vorm van genieten van het loon. Bepalend daarvoor vond de rechtbank dat over de rekening-courantschuld rente is berekend, die in de aangiften IB en Vpb is begrepen, en dat de ingehouden loonheffingen zijn afgedragen.

In de aangiften inkomstenbelasting voor de jaren 2013 en 2014 van een dga waren bedragen aan loon opgenomen. Het loon was afkomstig van de bv. De aangiften bevatten ook bedragen aan ingehouden loonheffingen. Nadat de aanslagen waren opgelegd in overeenstemming met de ingediende aangiften, maakte de dga daartegen bezwaar. De bezwaren zijn door de inspecteur afgewezen. Volgens de rechtbank heeft de dga door de omzetting van het loon in een rekening-courantvordering de beschikkingsmacht over het nettoloon gekregen. Daarmee heeft de dga het nettoloon genoten. Volgens de rechtbank is de inspecteur terecht uitgegaan van het in rekening-courant verwerkte bedrag aan loon. De dga heeft niet aannemelijk gemaakt dat het loon ten tijde van de omzetting een lagere waarde had of dat de rekening-courant vordering een lager waarde had dan in de jaarrekeningen en in de aangiften was opgenomen.

Lees meer

Hof kent in hoger beroep transitievergoeding toe

  15-06-2017

Ontslag op staande voet vereist een dringende reden. De werkgever, die een werknemer op staande voet wil ontslaan, moet het ontslag en de dringende reden onverwijld meedelen aan de betrokken werknemer. Als de werknemer het niet eens is met het gegeven ontslag, kan hij de nietigheid daarvan inroepen.

Een werknemer werd na een 18-jarig dienstverband op staande voet ontslagen. De werknemer bestreed het ontslag, omdat hem niet duidelijk was wat de reden voor het ontslag was. De kantonrechter heeft het ontslag op staande voet vernietigd. De werkgever was er niet in geslaagd om bewijs te leveren van een dringende reden voor het ontslag en evenmin van het meedelen van die reden aan de werknemer. De kantonrechter ontbond de arbeidsovereenkomst zonder toekenning van een transitievergoeding aan de ontslagen werknemer. Naar het oordeel van de kantonrechter was sprake van wangedrag van de werknemer als aanleiding voor het ontslag.

In hoger beroep tegen de beschikking van de kantonrechter bestreed geen van de partijen de verklaring voor recht dat het gegeven ontslag op staande voet nietig was. Ook de door de kantonrechter uitgesproken ontbinding van de arbeidsovereenkomst werd niet bestreden. De ontslagen werknemer was het niet eens met het oordeel dat hij door wangedrag ernstig verwijtbaar had gehandeld. Voor de kantonrechter was dat een reden om hem geen transitievergoeding toe te kennen. Het hof oordeelde dat de werknemer recht had op betaling van loon vanaf de datum van het ten onrechte gegeven ontslag op staande voet tot de datum waarop de arbeidsovereenkomst was ontbonden. Anders dan de kantonrechter had geoordeeld, vond het hof dat het niet aan de werknemer te wijten was dat hij in die periode niet had gewerkt. Omdat naar het oordeel van het hof geen sprake is geweest van ernstig verwijtbaar handelen van de werknemer, moest de werkgever hem alsnog een transitievergoeding betalen.

Lees meer

Niet sluitende rittenregistraties

  08-06-2017

Wanneer een werkgever aan een werknemer een auto ter beschikking stelt, geldt het wettelijk vermoeden dat de auto ook privé wordt gebruikt. Het voordeel van het privé mogen gebruiken van een auto van de zaak leidt tot een bijtelling bij het loon. Dat voordeel bedraagt tenminste 22% van de waarde van de auto. Er volgt geen bijtelling als de werknemer overtuigend aantoont dat de auto op jaarbasis niet meer dan 500 kilometer privé wordt gebruikt. Dat bewijs kan worden geleverd met behulp van een rittenregistratie, maar ook op andere wijze.

Oordeel over rittenregistraties
Aan een bv werden naheffingsaanslagen loonbelasting opgelegd omdat de bv geen rekening had gehouden met een bijtelling voor privégebruik bij het salaris van haar dga. De bv kwam in hoger beroep met andere rittenregistraties dan zij in bezwaar en in beroep had aangevoerd. Het hof vond niet overtuigend aangetoond dat met de auto per jaar niet meer dan 500 kilometer privé was gereden. Bepalend vond het hof dat de nieuwe rittenregistraties, die betrekking hadden op de jaren 2009 en 2010 pas in 2017 waren opgesteld. In tegenstelling tot de eerdere rittenregistraties bevatten de nieuwe registraties geen enkele privérit, terwijl de dga en zijn echtgenote in privé geen auto hadden. De nieuwe rittenregistraties bevatten enkele opmerkelijke zakelijke ritten, namelijk op Koninginnedag en op beide Kerstdagen. Tenslotte sloot de eindstand van 2009 niet aan bij de beginstand van 2010. De dga heeft in de procedure voor het hof de onduidelijkheden en verschillen in de rittenregistraties niet kunnen verklaren. Dat leidde tot het oordeel dat de naheffingsaanslagen terecht zijn opgelegd.

Boete
Tegelijk met de naheffingsaanslagen heeft de inspecteur vergrijpboeten opgelegd omdat het aan grove schuld van de bv te wijten was dat geen loonbelasting over het privégebruik is betaald. Deze boeten bleven in stand. Het hof nam bij de beoordeling in aanmerking dat de Belastingdienst bij een eerder boekenonderzoek erop had gewezen dat een beperkt privégebruik moet kunnen worden aangetoond en dat de werkgever controle op het gebruik van de auto moet uitvoeren. Zowel de oorspronkelijke als de latere rittenregistraties waren geen betrouwbare en sluitende weergave van de met de auto gereden ritten. Daar kwam nog bij dat de dga anderen gebruik liet maken van de auto zonder te letten op de aard van dat gebruik. Dat gebrek aan kennis rekende het hof toe aan de bv. Volgens het hof was het op zijn minst aan grove schuld van de bv te wijten dat de voor het privégebruik van de auto verschuldigde belasting niet is betaald.

Lees meer

Beperking aftrek zorgkosten toegestaan

  06-06-2017

De aftrekbaarheid in de inkomstenbelasting van zorgkosten is strikt geregeld. Zo geldt voor de aftrek van extra uitgaven voor kleding en beddengoed wegens langdurige ziekte vaste gemaximeerde bedragen van € 300 of € 750, mits aan de voorwaarden is voldaan. Deze bedragen zijn opgenomen in de Uitvoeringsregeling inkomstenbelasting 2001. Hof Arnhem-Leeuwarden oordeelde vorig jaar dat deze beperking onbevoegd was aangebracht, en daarom niet mocht worden toegepast. De Hoge Raad oordeelt anders.

Volgens de Hoge Raad is bij deze beperking de door de wetgever aan de minister van Financiën gedelegeerde bevoegdheid niet overschreden. Hof Arnhem-Leeuwarden had eerder geoordeeld dat dit wel het geval was. Volgens het hof was de Uitvoeringsregeling onverbindend voor zover daarin een beperking aan de aftrekbaarheid wordt gesteld. Uit de wetsgeschiedenis volgt dat de wetgever de ministeriële regelgever de bevoegdheid heeft gegeven om de omvang van de aftrek voor extra uitgaven voor kleding en beddengoed te regelen. Dat betekent dat de minister de bevoegdheid heeft gekregen om het bedrag van de extra kosten te normeren. Onder de werking van de Wet IB 1964 gold een vergelijkbare regeling voor de aftrek van extra kosten van kleding en beddengoed. De wetgever heeft deze regeling inhoudelijk voort willen zetten.

Gevolg voor de praktijk
Voor de praktijk betekent dit dat, ongeacht de hoogte van de werkelijke extra uitgaven voor kleding en beddengoed, de aftrek beperkt is tot de gemaximeerde bedragen.

Lees meer

Opschorting handhaving Wet DBA verlengd tot 1 juli 2018

  02-06-2017

De staatssecretaris van Financiën heeft laten weten dat de opschorting van de handhaving van de Wet DBA wordt verlengd tot in ieder geval 1 juli 2018. Voor de goede orde zij vermeld dat dit niet geldt voor kwaadwillenden.

De mededeling van de staatssecretaris is gedaan naar aanleiding van het verschijnen van een rapport betreffende het onderzoek naar varianten voor de kwalificatie van de arbeidsrelatie. Bij de aanbieding van dat rapport aan de Tweede Kamer heeft de minister van Sociale Zaken gezegd dat de keuze voor vervolgstappen in het DBA-dossier aan een nieuw kabinet worden overgelaten.

Lees meer

Wijzigingen minimumloon per 1 juli 2017

  31-05-2017

Per 1 juli 2017 verandert er het een en ander aan het minimumloon. Op die datum gaat de leeftijd voor het volwassen minimumloon omlaag van 23 naar 22 jaar. Voor mensen jonger dan 23 jaar bedraagt het minimumloon een percentage van het minimumloon voor een volwassene. Deze percentages gaan voor 18- tot en met 21-jarigen per 1 juli 2017 omhoog.  De bedragen van het minimumloon worden ieder halfjaar aangepast. Per 1 juli 2017 gelden de in de tabel opgenomen bedragen per maand bij een volledige werkweek. Deze bedragen zijn exclusief vakantiegeld.

Minimumloon per 1 juli 2017
Leeftijd

Percentage tot 1 juli

Percentage per 1 juli

Bedrag per maand
 15 jaar  30  30  € 469,60
 16 jaar  34,5  34,5  € 540,05
 17 jaar  39,5  39,5  € 618,35
 18 jaar  45,5  47,5  € 743,55
 19 jaar  52,5  55  € 860,95
 20 jaar  61,5  70  € 1.095,80
 21 jaar  72,5  85  € 1.330,60
 22 jaar  85  100  € 1.565,40
 23 jaar  100  100  € 1.565,40

Lees meer

Verkapte winstuitdeling

  31-05-2017

De voordelen die een aandeelhouder haalt uit aandelen die een aanmerkelijk belang vormen, worden belast in box 2 van de inkomstenbelasting. Verkapte winstuitdelingen worden tot de voordelen uit aanmerkelijke belang gerekend. Een verkapte winstuitdeling is de bevoordeling van een aandeelhouder ten laste van de vennootschap waarvan hij aandeelhouder is. De vennootschap en de aandeelhouder moeten zich van de bevoordeling bewust zijn geweest. De bewijslast voor een verkapte winstuitdeling ligt bij de inspecteur.

De verkoop van een onroerende zaak door een bv aan haar beide aandeelhouders vond plaats voor een prijs waarover in april 2002 met de Belastingdienst overeenstemming was bereikt. De transactie vond plaats op 30 december 2005. Gezien de marktontwikkeling in deze periode was te verwachten dat de waarde van de onroerende zaak was gestegen. De rechtbank betrok de WOZ-waarde van de onroerende zaak per 1 januari 2005 in de beoordeling. Deze waarde vormde een concrete aanwijzing dat de in 2002 overeengekomen waarde niet meer actueel was. De rechtbank vond aannemelijk dat de aandeelhouders zich bewust waren van de bevoordeling ten laste van de bv. Omdat de aandeelhouders ook bestuurder waren van de bv was aannemelijk dat ook de bv zich van de bevoordeling bewust moet zijn geweest.

Tijdens de procedure kwam aan de orde of het verschil tussen de koopprijs en de waarde in het economische verkeer als schuld in rekening-courant aan de bv kon worden aangemerkt in plaats van als winstuitdeling. Daartoe zou al bij de koop moeten zijn overeengekomen dat een eventuele meerwaarde in rekening-courant zou worden verwerkt. Het bestaan van een dergelijke overeenkomst is tijdens de procedure op geen enkele wijze onderbouwd. Naar het oordeel van de rechtbank was sprake van een winstuitdeling.

Lees meer

Geen verlenging coulanceperiode afschaffing pensioen in eigen beheer

  31-05-2017

Per 1 april 2017 is een wet van kracht geworden die de mogelijkheid om een pensioen in eigen beheer bij de bv op te bouwen afschaft. De wet introduceert een tijdelijke maatregel om een reeds opgebouwd pensioen in eigen beheer fiscaal vriendelijk af te kopen. Voor dga’s, die geen gebruik van de afkoopmogelijkheid kunnen of willen maken, biedt de wet de mogelijkheid om de pensioenvoorziening om te zetten in een oudedagsreserve of om de pensioenvoorziening te bevriezen. Bij de behandeling van het wetsvoorstel in de Eerste Kamer heeft de staatssecretaris van Financiën een extra termijn van drie maanden toegezegd om dga's en bv's en hun adviseurs de tijd te geven om de nodige stappen te zetten in verband met de uitfasering van het pensioen in eigen beheer.

De staatssecretaris van Financiën is niet van plan om deze zogenaamde coulanceperiode te verlengen. Dat zegt hij in antwoord op Kamervragen, die zijn gesteld naar aanleiding van een bericht dat een op de drie dga’s niet op de hoogte van de afschaffing van het pensioen in eigen beheer zou zijn.

Volgens de staatssecretaris hebben dga’s sinds 1 juli 2016 de tijd gehad om na te denken over hun bestaande pensioenvoorziening in eigen beheer. Op die datum stuurde de staatssecretaris een brief met de contouren van de huidige regeling. Vervolgens heeft de staatssecretaris een extra termijn van drie maanden toegezegd om de noodzakelijke stappen te zetten in het kader van de uitfasering van het pensioen in eigen beheer. Door het uitstel van de inwerkingtreding van de wet is ook de coulanceperiode opgeschoven met drie maanden tot 1 juli 2017. Dat moet voldoende zijn om te regelen dat de opbouw van het pensioen in eigen beheer wordt stopgezet. Als de dga besluit om een elders verzekerd pensioen over te laten brengen naar eigen beheer, moet de waardeoverdracht plaatsvinden voor het einde van de coulanceperiode. Het volstaat als het verzoek tot overdracht uiterlijk op 30 juni 2017 bij de verzekeraar is ingediend.

Voor alle duidelijkheid, de beslissing om een bestaande pensioenvoorziening fiscaal gefaciliteerd af te kopen of om te zetten in een oudedagsverplichting hoeft niet voor 1 juli 2017 te worden genomen. Deze beslissing moet uiterlijk op 31 december 2019 zijn genomen.

Lees meer

Verbod op privégebruik auto helpt dga niet

  24-05-2017

Wanneer een werkgever aan een werknemer een auto ter beschikking stelt, wordt deze auto geacht ook privé te worden gebruikt. Dat is een vorm van loon in natura. Met het privégebruik wordt rekening gehouden door op kalenderjaarbasis 22% van de waarde van de auto bij het loon te tellen. Er vindt geen bijtelling plaats als de werknemer kan bewijzen dat in een kalenderjaar niet meer dan 500 kilometer privé is gereden met de auto. Dat bewijs kan worden geleverd met een rittenregistratie.

De dga van een bv meende dat geen bijtelling hoefde plaats te vinden omdat de bv geen auto aan hem ter beschikking had gesteld. De arbeidsovereenkomst van de dga bevatte een uitdrukkelijk verbod op privégebruik van de auto. De dga gebruikte de auto voor dienstritten en parkeerde de auto na gebruik op het terrein van de bv. Daar bleef de auto na sluitingstijd staan achter een afsluitbaar hek.
Een verbod op privégebruik van de auto in de arbeidsovereenkomst van een dga heeft volgens de inspecteur geen realiteitswaarde.

Gezien de bepalingen in de arbeidsovereenkomst heeft de bv aan de dga een auto ter beschikking gesteld. De dga kon als enig bestuurder van de werkgever bepalen of en hoe hij van de auto gebruik maakte. Daarom was geen sprake van een geval waarin een werknemer een auto alleen mag gebruiken om in opdracht van zijn werkgever en in diens belang personen of goederen te vervoeren. Het in de arbeidsovereenkomst opgenomen verbod op privégebruik is in het geval van een dga niet van belang, evenmin als de omstandigheid dat andere medewerkers de auto konden gebruiken. De medewerkers konden dit alleen doen in overleg met en na toestemming van de dga. De dga had geen rittenregistratie bijgehouden en ook niet op andere wijze aangetoond dat hij de auto op jaarbasis voor niet meer dan 500 kilometer privé heeft gebruikt. Het verbod op privégebruik voorkwam de bijtelling niet.

Lees meer

Ontslag op staande voet vernietigd

  24-05-2017

Ontslag op staande voet is een verstrekkende maatregel, die niet licht kan worden genomen. Voor ontslag op staande voet is een dringende reden vereist. Verder moet een ontslag op staande voet onverwijld worden gegeven.

Een medewerker van een camping werd op staande voet ontslagen omdat hij een biljet van € 50 aan fooi zou hebben willen verduisteren. In plaats van het biljet in de fooienpot te stoppen had hij het opgevouwen en onder het pinapparaat gelegd. De medewerker bestreed het ontslag op staande voet met een beroep op vermoeidheid na een dienst van 16 uur. Hof Den Bosch vond de handelwijze van de medewerker onlogisch en verdacht, maar kon niet met voldoende mate van zekerheid vaststellen dat de medewerker de bedoeling had het biljet te verduisteren.

Het hof oordeelde dat het opvouwen en wegstoppen van het biljet niet sneller was dan het scannen van het biljet en opbergen ervan in de fooienpot. De fooienpot en het scanapparaat stonden binnen handbereik. De medewerker had volgens zijn zeggen de fooi onder het pinapparaat gelegd om te voorkomen dat het biljet kwijt zou raken. Wegstoppen van de fooi was niet nodig om te voorkomen dat het biljet door een klant zou worden weggenomen. De handelwijze was verdacht, maar voor ontslag op staande voet is meer nodig is dan de verdenking dat de medewerker de fooi heeft weggestopt om het geld weg te nemen. Het hof acht niet onmogelijk dat de onlogische handelwijze voortkwam uit vermoeidheid

Lees meer

Leeftijdsgrens aftrek scholingskosten

  24-05-2017

De uitgaven voor een opleiding of studie, die wordt gevolgd met de bedoeling om inkomen uit werk en woning te verwerven, zijn onder voorwaarden aftrekbaar voor de inkomstenbelasting. Om aan aftrek toe te komen moet het gezamenlijke bedrag van de uitgaven hoger zijn dan € 250. De aftrek is begrensd op een bedrag van € 15.000. Voor belastingplichtigen die jonger zijn dan 30 jaar geldt gedurende een periode van vijf jaar geen maximum aan de aftrek. In deze periode moet de belastingplichtige zijn tijd grotendeels besteden aan de studie, terwijl de studielast zodanig moet zijn dat daarnaast geen volledige baan mogelijk is. Over de vraag of deze regeling een vorm van leeftijdsdiscriminatie inhoudt, is onlangs een procedure gevoerd.

Het Hof van Justitie EU heeft daarover gezegd dat de regeling is toegestaan omdat deze is bedoeld om de positie van jongeren op de arbeidsmarkt te versterken. Dat is een legitiem doel. De middelen om dat doel te bereiken moeten passend en noodzakelijk zijn. De Hoge Raad heeft na het arrest van het Hof van Justitie EU de procedure voortgezet. Bij de beoordeling of de ingezette middelen passend en noodzakelijk zijn om het doel van de regeling te bereiken heeft de wetgever een ruime beoordelingsmarge. De Hoge Raad is van oordeel dat deze marge door de regeling niet wordt overschreden. De beperking van de volledige aftrek tot personen die jonger zijn dan 30 jaar gaat niet verder dan nodig is voor de versterking van de positie van jongeren in het arbeidsproces. Personen die 30 jaar of ouder zijn hebben vaak al de gelegenheid gehad om een opleiding te volgen en verkeren meestal in een betere financiële positie dan schoolverlaters.

De procedure betrof iemand die op zijn 32e begon aan een opleiding tot verkeersvlieger. Hij bracht in zijn aangifte inkomstenbelasting een bedrag van ruim € 21.500 aan scholingsuitgaven in aftrek. Zijn inkomen in dat jaar bedroeg nihil, waardoor persoonsgebonden aftrekposten als de scholingsuitgaven niet in aanmerking konden worden genomen. In afwijking van de aangifte accepteerde de inspecteur het maximaal aftrekbare bedrag aan scholingsuitgaven van € 15.000. Dat bedrag verwerkte de inspecteur in een beschikking “niet in aanmerking genomen persoonsgebonden aftrek”. Volgens de student was de beperking van de aftrek van scholingskosten gebaseerd op een verboden onderscheid naar leeftijd. De Hoge Raad oordeelt dat het onderscheid naar leeftijd in dit geval is toegestaan.

Lees meer

Misbruik klantenkaart reden voor ontslag op staande voet

  18-05-2017

Een arbeidsovereenkomst kan door ieder van de partijen met onmiddellijke ingang worden opgezegd op grond van een dringende reden. Die opzegging moet wel direct, onder mededeling van de reden, aan de wederpartij worden gedaan. Voor zover het betreft ontslag op staande voet van een werknemer, kunnen handelingen als diefstal of agressief gedrag tot gevolg hebben dat van de werkgever niet gevergd kan worden de arbeidsovereenkomst te laten voortduren.

Een werkneemster bestreed het haar gegeven ontslag op staande voet bij de kantonrechter omdat het ontslag niet onverwijld zou zijn gegeven. De werkgever was op 5 januari 2017 op de hoogte van de dringende reden, maar de werkneemster zou pas op 18 januari kennis hebben genomen van het ontslag. Uit een door de werkgever overgelegd en door de werkneemster ondertekend gespreksverslag bleek echter dat de werkneemster al op 9 januari 2017 was ontslagen. De kantonrechter was van oordeel dat de werkgever had voldaan aan de eis van onverwijlde mededeling van het ontslag op staande voet onder opgave van de dringende reden. Die reden bestond uit het misbruik maken van de klantenkaart van haar zus door aan klanten zonder klantenkaart toch korting te geven. Door de op de klantenkaart van de zus van de werkneemster bijgeschreven aankopen had zij waardebonnen van de werkgever ontvangen. Volgens de kantonrechter was dat gedrag van de werkneemster een vorm van fraude waardoor de werkgever was benadeeld. Bij de beoordeling van de ernst van deze gedraging speelde mee dat de werkneemster in het verleden al was gewaarschuwd voor vergelijkbaar gebruik van haar eigen klantenkaart. Volgens de kantonrechter moet het de werkneemster duidelijk zijn geweest dat dergelijk gedrag door de werkgever niet wordt getolereerd. Het gegeven ontslag bleef in stand.

Lees meer

Toepassing tijdsevenredige vermindering premiedeel heffingskorting

  18-05-2017

Een heffingskorting is een bedrag dat in mindering wordt gebracht op de te betalen inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen. Inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen worden gecombineerd geheven. De besteding van de belastingopbrengsten en de premieopbrengsten verschillen. De heffingskorting bestaat uit een belastingdeel en een premiedeel. Deze delen van de heffingskorting worden afzonderlijk vastgesteld. Recht op het premiedeel van de heffingskorting bestaat alleen voor personen die premieplichtig zijn voor de volksverzekeringen. Wanneer het premiedeel van de heffingskorting niet kan worden verrekend met de verschuldigde premie wordt het bedrag van de inkomstenbelasting met het niet verrekende deel verminderd. De heffingskorting volksverzekeringen kan dus worden omgezet in een belastingkorting. Wanneer iemand een gedeelte van het jaar premieplichtig is, wordt het premiedeel van de heffingskorting tijdsevenredig verminderd. Deze vermindering geldt niet als iemand door overlijden slechts een deel van het jaar premieplichtig is geweest.

De vraag is of de tijdsevenredige vermindering van het premiedeel van de heffingskorting een belemmering vormt van het vrije verkeer van werknemers. Deze vraag kwam op in een procedure van iemand die een deel van een kalenderjaar in Nederland woonde en werkte, en vervolgens naar Polen verhuisde. Het inkomen in dat jaar werd vrijwel uitsluitend in Nederland verdiend. De Hoge Raad heeft de vraag voorgelegd aan het Hof van Justitie EU.

Lees meer

Wet tegen onredelijk lange betaaltermijnen

  18-05-2017

De wet, die het hanteren van onredelijk lange betaaltermijnen tegengaat, is op 26 april jl. in het Staatsblad geplaatst. De wet wil voorkomen dat grote ondernemingen onredelijk lange betaaltermijnen afdwingen van zelfstandige ondernemers en kleine of middelgrote ondernemingen. Daarom schrijft de wet voor grote ondernemingen een uiterste betaaltermijn van 60 dagen voor. Een hiervan afwijkende betaaltermijn in een overeenkomst is een nietige bepaling. Voor bestaande overeenkomsten geldt een overgangstermijn van één jaar na de datum van inwerkingtreding.

Grote onderneming
Het Burgerlijk Wetboek omvat in boek 2 een indeling van ondernemingen naar grootte. Een onderneming kwalificeert volgens deze omschrijving als groot, wanneer aan twee van de volgende drie criteria is voldaan.

  1. de waarde van de activa volgens de balans bedraagt meer dan € 20 miljoen;
  2. de netto omzet over het boekjaar bedraagt meer dan € 40 miljoen;
  3. het gemiddeld aantal werknemers over het boekjaar bedraagt 250 of meer.

Sanctie
De sanctie, die bij te late betaling van toepassing is, bestaat uit de wettelijke rente over het openstaande bedrag. De wettelijke rente is verschuldigd met ingang van de dag na het verstrijken van de betaaltermijn tot en met de dag van betaling.

Inwerkingtreding
De wet treedt op 1 juli 2017 in werking.

Lees meer

Vordering van ondernemer op broer geen ondernemingsvermogen

  18-05-2017

Een vordering is ondernemingsvermogen wanneer deze is ontstaan in het kader van de normale bedrijfsuitoefening. Een vordering die samenhangt met bedrijfsvreemde activiteiten kan alleen ondernemingsvermogen zijn als het gaat om het uitlenen van tijdelijk overtollige liquide middelen. Dat moet wel gebeuren op een zodanige manier dat de uitgeleende middelen tijdig weer in de onderneming beschikbaar zijn. Een verlies op een vordering, die tot het ondernemingsvermogen behoort, komt ten laste van de winst en verlaagt daarmee het bedrag van de te betalen belasting.

Lening aan bedrijf van broer ondernemingsvermogen?
Een ondernemer leende geld uit aan zijn broer voor de financiering van diens bedrijf. Dat bedrijf werd in de vorm van een bv gedreven. De bv ging failliet, zonder dat de leningen werden terugbetaald. De ondernemer meende dat de leningen tot zijn ondernemingsvermogen gerekend hadden moeten worden. Dat zou tot gevolg hebben dat het verlies op de leningen ten laste van de winst uit onderneming gebracht kon worden. De totale vordering bedroeg € 500.000. Volgens de ondertekende overeenkomsten van geldlening zou € 5.000 per jaar worden afgelost. Desondanks zou het de bedoeling zijn geweest om het geld kortstondig te lenen.

Hof Den Bosch vond niet aannemelijk dat de ondernemer zijn overtollige liquide middelen tijdelijk aan zijn broer had uitgeleend. Al eerder was voorzienbaar dat de broer niet in staat zou zijn de leningen snel af te lossen. De aan de broer verstrekte geldleningen behoorden niet tot het ondernemingsvermogen.

Resultaat uit werkzaamheid?
Het verlies op de vordering zou ook ten laste van het inkomen gebracht kunnen worden wanneer sprake van resultaat uit overige werkzaamheden zou zijn geweest. Daarvoor is nodig dat vermogen rendabel wordt gemaakt op een wijze die normaal, actief vermogensbeheer te buiten gaat. Dat kan het geval zijn als er activiteiten worden verricht die naar hun aard en omvang gericht zijn op het behalen van een hoger rendement. De ondernemer had wel werkzaamheden voor het bedrijf van zijn broer verricht, maar het hof vond niet aannemelijk dat deze werkzaamheden gericht waren op een hoger rendement. Al voordat het eerste deel van de leningen werd verstrekt, werkte de ondernemer voor zijn broer zonder daarvoor een vergoeding te ontvangen. Nadien waren de werkzaamheden er volgens het hof op gericht om te redden wat er te redden viel.

Uitkomst procedure
Omdat de lening aan het bedrijf van de broer niet kwalificeerde als ondernemingsvermogen en er ook geen sprake was van overige werkzaamheden waartoe de lening kon worden gerekend, kwam het verlies op de lening niet ten laste van het inkomen.

Lees meer

Nultarief omzetbelasting niet van toepassing

  11-05-2017

De levering van goederen, die in verband met de levering worden vervoerd naar een andere lidstaat van de EU, valt onder het nultarief van de omzetbelasting. Aan toepassing van het nultarief is de voorwaarde verbonden dat in de andere EU-lidstaat omzetbelasting wordt geheven vanwege de intracommunautaire verwerving van die goederen. De toepassing van het nultarief moet blijken uit boeken en bescheiden in de administratie van de ondernemer die het nultarief wil toepassen. Dat betekent dat op de ondernemer de bewijslast rust voor het nultarief. Aan de bewijslevering zijn geen bijzondere eisen gesteld. Het is geen vereiste dat de afnemer de intracommunautaire verwerving heeft aangegeven. Ook is niet vereist voor de toepassing van het nultarief dat de leverancier heeft voldaan aan de verplichting om een opgave te doen van intracommunautaire transacties.

Hof Amsterdam oordeelde in een procedure dat een ondernemer niet aan zijn bewijslast voor toepassing van het nultarief had voldaan. Een factuur met het btw-nummer van een in een andere lidstaat gevestigde ondernemer en een betaling vanuit die andere lidstaat zijn volgens het hof onvoldoende bewijs voor vervoer van geleverde goederen naar een andere lidstaat. Bewijs van het vervoer van de goederen ontbrak. Evenmin was voldaan aan de voorwaarden om de levering als een afhaaltransactie aan te merken.

Lees meer

Afschrijving op ter beschikking gestelde, geleasete apparatuur toegestaan

  11-05-2017

Om te kunnen afschrijven op een bedrijfsmiddel moet ten minste sprake zijn van economische eigendom. Iemand is de economische eigenaar wanneer hij het volledige risico van waardeverandering en van tenietgaan van een zaak draagt. Voor de beoordeling van de vraag of de economische eigendom van een geleaset goed is overgegaan van de lessor naar de lessee moet alleen naar de verhouding tussen deze partijen worden gekeken. Niet van belang is dat de lessee het risico van waardeverandering of tenietgaan van de zaak geheel of ten dele op een derde afwentelt, bijvoorbeeld door de zaak te verhuren. De Hoge Raad is van oordeel dat ook als een leasecontract niet de verplichting maar alleen een optie tot koop bevat, de economische eigendom kan zijn overgegaan op de lessee. Daarvoor moet gekeken worden naar de uitleg van de leasevorm in het contract en naar de hoogte van de overnamevergoeding aan het einde van de looptijd.

Hof Amsterdam moest beoordelen of een aanmerkelijkbelanghouder, die geleasete bedrijfsmiddelen aan de eigen bv ter beschikking stelde, mocht afschrijven op deze bedrijfsmiddelen. Volgens het hof is de aanmerkelijkbelanghouder economisch eigenaar op grond van de leasecontracten. De inspecteur stelde dat niet de aanmerkelijkbelanghouder maar de bv het risico van tenietgaan van de apparatuur droeg omdat de apparatuur door de bv was verzekerd. Daarnaast zou uit de huurovereenkomst voortvloeien dat ook de waardevermindering van de apparatuur voor rekening van de bv kwam. Het hof deelde dat standpunt van de inspecteur niet maar vond aannemelijk dat de apparatuur om praktische redenen onder een bestaande verzekering van de bv was gebracht en dat in verband daarmee een lagere huur in rekening werd gebracht.

Na de beëindiging van de leaseovereenkomsten werd de verhuur van de apparatuur aan de bv voortgezet. De inspecteur slaagde er niet in om aannemelijk te maken dat de verhuur van de apparatuur geen economische activiteit was. Volgens de inspecteur kon de verhuur door afschrijving op de apparatuur niet tot een positief resultaat leiden. Na afloop van de afschrijvingstermijn was de opbrengst van de verhuur hoger dan de kosten en lasten die met de verhuur samenhingen en was het resultaat positief. Hof Amsterdam was van oordeel dat de aanmerkelijkbelanghouder mocht afschrijven op de apparatuur.

Lees meer

Aftrekbeperking hypotheekrente in de vierde tariefschijf

  11-05-2017

Wie een eigen woning bezit, moet daarvoor een bedrag, het eigenwoningforfait, bij zijn inkomen in box 1 tellen. De rente die de woningeigenaar betaalt over de schulden die zijn aangegaan voor de eigen woning, komt in aftrek op het inkomen. Wanneer het eigenwoningforfait hoger is dan de betaalde (hypotheek)rente, hoeft geen bijtelling plaats te vinden voor het verschil. Voor zover het inkomen van de woningeigenaar in de hoogste tariefschijf van de inkomstenbelasting valt, vindt de aftrek van betaalde rente plaats tegen een verlaagd tarief. In 2017 bedraagt dat verlaagde tarief 50% in plaats van het normale tarief in de vierde schijf van 52%.

Over de uitwerking van deze regeling zijn Kamervragen gesteld aan de staatssecretaris van Financiën. De staatssecretaris merkt op dat de wetgever er bewust voor heeft gekozen om niet het saldo van de belastbare inkomsten uit eigen woning maar de aftrekbare kosten tegen een lager tarief in aanmerking te nemen. De vragensteller haalt een voorbeeld aan van een woningeigenaar die € 2.000 hypotheekrente heeft betaald en een eigenwoningforfait heeft van € 1.950 euro. Per saldo bedraagt de aftrekpost € 50. Dat levert tegen een tarief van 52% een belastingteruggaaf van € 26 op. Daar staat tegenover dat hij door de tariefsaanpassing een bijtelling krijgt van 2% van € 2.000. Dat is een bedrag van € 40, waardoor over de aftrekpost per saldo € 14 belasting moet worden betaald. De staatssecretaris heeft bevestigd dat deze berekening klopt.

De aftrek wegens geen of een kleine eigenwoningschuld is in dit voorbeeld niet van toepassing omdat de aftrekbare kosten voor de eigen woning hoger zijn dan het eigenwoningforfait. Ook als de aftrek wegens geen of geringe eigenwoningschuld van toepassing zou zijn, bijvoorbeeld omdat het eigenwoningforfait € 2.100 bedraagt, is de rente aftrekbaar tegen het verlaagde tarief. Dit kan alleen voorkomen worden door de hypotheekrenteaftrek bij de fiscale partner in aftrek te brengen mits die niet in de vierde belastingschijf valt, door de hypotheekschuld af te lossen of door de schuld niet (meer) aan de voorwaarden voor renteaftrek te laten voldoen.
Volgens de staatssecretaris zijn belastingplichtigen verplicht een schuld die voldoet aan de voorwaarden voor een eigenwoningschuld en de daarmee verband houdende aftrekbare kosten eigen woning op te voeren in de aangifte.

Lees meer

Vermogensetikettering woonhuis

  11-05-2017

De keuze voor het aanmerken van een vermogensbestanddeel als ondernemingsvermogen is in het algemeen afhankelijk van de wil van de ondernemer. De keuzevrijheid wordt beperkt door de grenzen van de redelijkheid. Een vermogensbestanddeel dat vrijwel alleen zakelijk wordt gebruikt is verplicht ondernemingsvermogen. Een vermogensbestanddeel dat vrijwel alleen privé wordt gebruikt is verplicht privévermogen. Behoudens bijzondere omstandigheden behoort een woning tot het privévermogen van de ondernemer. Een zakelijk gebruik van 10% of meer kan een reden zijn om de woning tot het ondernemingsvermogen te rekenen.

Een dga kocht in mei 2007 een stuk grond met een opstal voor € 515.000. De opstal werd gesloopt, waarna voor € 420.000 een woning op het perceel werd gebouwd. Na voltooiing van de bouw werd de woning in mei 2009 in gebruik genomen. In juli 2008 besloot de dga om met terugwerkende kracht tot 1 januari 2008 een vof aan te gaan met een bv waarin zijn bv participeerde. De woning merkte de dga aan als ondernemingsvermogen. Op 29 december 2009 tekende de dga een intentieverklaring, waarin stond dat de dga zijn aandeel in de vof met ingang van 1 januari 2010 inbracht in een nieuw op te richten bv. In verband met de inbreng van de onderneming ging de woning per 1 januari 2010 naar het privévermogen van de dga. Dat gebeurde tegen de waarde in bewoonde staat. De waarde in het economische verkeer vrij van huur en gebruik van de woning bedroeg volgens een taxatie per 1 januari 2010 € 830.000. De getaxeerde waarde was beduidend lager dan het in de aankoop en de bouw geïnvesteerde bedrag. Omdat de waarde in bewoonde staat lager is dan de waarde vrij opleverbaar en gerelateerd is aan de getaxeerde waarde, ontstond per saldo een stakingsverlies van € 468.000. De Belastingdienst accepteerde het stakingsverlies niet, maar kreeg van Hof Arnhem-Leeuwarden geen gelijk.

Het hof vond aannemelijk dat de woning vanaf de ingebruikname voor meer dan 10% werd gebruikt ten behoeve van de onderneming. Daarmee behoorde de woning tot het keuzevermogen. Door de woning als ondernemingsvermogen aan te merken heeft de dga de grenzen van de redelijkheid niet overschreden. Het hof is van oordeel dat de keuzevrijheid niet wordt beperkt door de omstandigheid dat ten tijde van de definitieve keuze voor ondernemingsvermogen al duidelijk was dat de ondernemingsactiviteiten zouden overgaan naar een bv en de woning zou overgaan naar privé.

Lees meer

Koerswinst op dividendvordering

  04-05-2017

De voordelen die een vennootschap behaalt uit een deelneming zijn vrijgesteld van vennootschapsbelasting door de werking van de deelnemingsvrijstelling. Dividend is een voordeel dat uit hoofde van een deelneming wordt ontvangen. Een koersresultaat dat wordt behaald met een dividendvordering op een deelneming is geen vrijgesteld deelnemingsvoordeel, maar vormt belastbare winst.

Een in Nederland gevestigde bv had een belang van bijna 100% in een in Kazachstan gevestigde vennootschap. De algemene vergadering van aandeelhouders van de Kazachse vennootschap besloot op 22 april 2010 om dividend uit te keren. De Nederlandse vennootschap nam een dividendvordering op haar balans op van ruim € 47 miljoen. De vordering bestond uit het bruto dividendbedrag verminderd met 5% bronheffing. Op 20 mei 2010 werd besloten om het te betalen dividend te verrekenen met een schuld in Amerikaanse dollars van de Nederlandse vennootschap aan de Kazachse vennootschap. Het restant van het dividend ad € 1,35 miljoen werd op 21 mei per bank betaald. De vennootschap behaalde door het tijdsverloop tussen de dividenduitkering en de verrekening een koerswinst van € 4,8 miljoen. De vraag was of het koersresultaat onderdeel was van de belastbare winst over het jaar 2010 of onder de deelnemingsvrijstelling viel. De Nederlandse vennootschap stelde zich op het standpunt dat de dividendvordering direct was verrekend met haar schuld. Daardoor zou alleen de koerswinst die over het niet verrekende deel van de dividendvordering was gerealiseerd belast zijn. Uitgaande van het subsidiaire standpunt dat de dividendvordering pas op 20 mei 2010 is ontstaan en direct is verrekend, zou er geen belaste koerswinst zijn gerealiseerd.

De rechtbank leidde uit de notulen van de algemene vergadering van aandeelhouders af, dat het dividend op 22 april 2010 is gedeclareerd en betaalbaar is gesteld. Op die datum is de dividendvordering ontstaan. In de notulen was vastgelegd dat het uit te betalen dividend zou worden voldaan door verrekening met schulden, maar de wijze van verrekening is later vastgelegd in een afzonderlijke overeenkomst. Deze verrekening heeft volgens de rechtbank niet eerder dan op 20 mei 2010 plaatsgevonden. In de overeenkomst was vastgelegd dat verrekening zou plaatsvinden tegen de op de datum van ondertekening geldende wisselkoersen. Volgens de overeenkomst zijn de schulden over en weer afgewikkeld vanaf het moment van ondertekening. Volgens de rechtbank was het bedrag van de koerswinst van € 4,8 miljoen belast. In hoger beroep heeft Hof Amsterdam de uitspraak van de rechtbank bevestigd.

Lees meer

Ontbinding wegens verstoorde arbeidsrelatie

  04-05-2017

Een werkgever kan een arbeidsovereenkomst met een werknemer niet zondermeer opzeggen. Behoudens een aantal in de wet geregelde gevallen moet de werkgever voor opzegging een redelijke grond hebben en moet herplaatsing van de werknemer binnen een redelijke termijn niet mogelijk zijn. De wet bevat een opsomming van redelijke gronden voor opzegging van de arbeidsovereenkomst. Afhankelijk van de reden voor opzegging is toestemming nodig van het UWV of kan de werkgever bij de kantonrechter een verzoek om ontbinding van de arbeidsovereenkomst indienen. Een van de in de wet genoemde gronden voor opzegging is een zodanig verstoorde arbeidsverhouding, dat van de werkgever in redelijkheid niet verlangd kan worden dat hij de arbeidsovereenkomst laat voortduren.

Onlangs diende bij de kantonrechter een dergelijke zaak. De werkgever baseerde het verzoek om ontbinding van de arbeidsovereenkomst op verstoring van de arbeidsverhouding door een arbeidsconflict. De werknemer had zich eerder ziekgemeld. Vastgesteld werd dat de oorzaak van de arbeidsongeschiktheid deels medisch en deels werkgerelateerd was. Zowel de coach van de werknemer als de bedrijfsarts, de verzekeringsdeskundigen en het UWV spraken consequent van een arbeidsconflict. Pogingen om dat conflict bij te leggen liepen op niets uit door de opstelling van de werknemer. De werknemer was voor de aanvang van de procedure wel weer hersteld. De kantonrechter ontbond de arbeidsovereenkomst, rekening houdend met de voor de werkgever geldende opzegtermijn, verminderd met de duur van de procedure. Aan beide voorwaarden voor toekenning van een transitievergoeding, namelijk beëindiging op initiatief van de werkgever en een duur van de arbeidsovereenkomst van 24 maanden of langer, was voldaan. De kantonrechter wees het verzoek van de werknemer om toekenning van een billijke vergoeding af. De kantonrechter kan een billijke vergoeding toekennen bij ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van de werkgever. Daarvan was geen sprake. Uit de wetsgeschiedenis volgt dat ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van de werkgever zich slechts in uitzonderlijke gevallen voordoet.

Lees meer

Een motor als alternatief voor een auto van de zaak?

  04-05-2017

Wie geregeld op de weg van huis naar werk of van werk naar huis in de file staat, kijkt wel eens jaloers naar de motorrijder die tussen de files doorrijdt. Zeker nu het weer beter wordt lijkt dat aantrekkelijk. Maar is het ook een alternatief voor een auto van de zaak? Tijd voor een vergelijking.

Overeenkomsten
De uitgangspunten zijn gelijk. Zowel voor de auto als voor de motor van de zaak geldt dat de afschrijving en de kosten van brandstof, onderhoud, belasting en verzekering ten laste van de winst van de zaak mogen worden gebracht. De omzetbelasting op de aanschaf, de brandstof en het onderhoud is als voorbelasting aftrekbaar. Aan het einde van het jaar moet er een correctie voor de omzetbelasting plaatsvinden voor het privégebruik.

Verschillen
Wie een auto van de zaak ter beschikking heeft, wordt geconfronteerd met een wettelijk geregelde (standaard)bijtelling bij zijn inkomen voor het privégebruik. Bij een in 2017 op naam gestelde auto gaat het doorgaans om 22% van de cataloguswaarde. Een bijtelling kan alleen worden voorkomen door aantoonbaar in een jaar niet meer dan 500 kilometer privé te rijden.
Voor een motor van de zaak geldt geen standaardbijtelling. De ondernemer of de werknemer met een motor van de zaak zal de werkelijke waarde van het privégebruik bij zijn inkomen moeten tellen.  De totale kosten en lasten van de motor worden naar rato verdeeld over de zakelijke en de privékilometers. Dat kan voordeliger zijn dan de standaard bijtelling voor een auto, maar het hoeft niet. Vanaf de eerste kilometer die privé wordt gereden is er immers een voordeel voor de motorrijder. Anders dan voor de autorijder geldt dus niet dat een privégebruik van niet meer dan 500 kilometer voor rekening van de zaak kan komen.

Voor een werknemer is de mogelijkheid om een motor van de zaak privé te rijden een vorm van loon in natura. De werkgever heeft de mogelijkheid dit als eindheffingsbestanddeel aan te wijzen en zo ten laste van de vrije ruimte voor de werkkostenregeling te brengen. Dat kan uiteraard alleen indien en voor zover er nog vrije ruimte beschikbaar is. Is die ruimte er niet, dan moet de werkgever 80% eindheffing afdragen. Het alternatief is het loon in natura op de normale wijze belasten bij de werknemer.

Voor een ondernemer vormen de kosten voor het privégebruik een onttrekking aan het vermogen van de onderneming. Die onttrekking moet worden gecorrigeerd door een bijtelling bij de winst. Wanneer de kosten van de motor uitkomen op € 0,60 per kilometer en er 5.000 kilometer privé worden gereden is de onttrekking € 3.000 (5.000 km x € 0,60). Uitgaande van een tarief van 52% inkomstenbelasting kost dit dus € 1.560.

Let op: een wettelijke verplichting om een kilometeradministratie bij te houden is er niet.

Investeringsaftrek
Waar de investering in een auto uitdrukkelijk is uitgesloten van de kleinschaligheidsinvesteringsaftrek, geldt dat voor een motor niet. Afhankelijk van het totale investeringsbedrag van de onderneming in een jaar kan maximaal 28% van de aanschafprijs van de motor in aftrek worden gebracht op de winst. Bij investering in een elektrische scooter of motor kan daarnaast gebruik worden gemaakt van de milieu-investeringsaftrek en de willekeurige afschrijving op milieu-investeringen.
Niet alleen de kosten van de motor zelf, maar ook de kosten van bijkomende zaken als motorkleding en een helm kunnen door de zaak gedragen worden.

Conclusie
Vanuit fiscaal oogpunt is een motor van de zaak een goed alternatief. Daarmee is niet gezegd dat een motor voor iedereen of in alle gevallen een goed alternatief is voor de auto van de zaak. Er spelen immers ook andere factoren dan alleen het fiscale aspect. Denk aan de veiligheid en het risico van aansprakelijkheid van de werkgever voor schade die de werknemer oploopt of aan de tijd die is gemoeid met omkleden van motortenue naar werktenue en andersom. Voor de ondernemer, die liefhebber is van motorrijden, is het zeker een alternatief, maar voor anderen wellicht niet.

Lees meer

Belastingdienst schrijft klanten Zwitserse bank aan

  26-04-2017

Het aanhouden van spaartegoeden in het buitenland is lange tijd niet ongebruikelijk geweest, zeker in de tijd dat rente in Nederland progressief werd belast. België, Luxemburg en Zwitserland waren populaire bestemmingen voor landgenoten die hun geld buiten het zicht van de Belastingdienst wilden houden. Door de structurele uitwisseling van gegevens met buitenlandse overheden is de kans dat de Belastingdienst verborgen buitenlands vermogen op het spoor komt steeds groter. Ook de opheffing van het bankgeheim in diverse landen speelt een belangrijke rol.

De Belastingdienst heeft onlangs een aantal Nederlandse rekeninghouders van een Zwitserse bank aangeschreven. Zij worden gevraagd om hun buitenlandse vermogen op te geven in de aangifte inkomstenbelasting 2016 en om eerdere aangiften zo nodig te verbeteren. Omdat de Belastingdienst hen al op het spoor is, komen de betrokkenen niet in aanmerking voor een verlaagde boete wegens vrijwillige verbetering.

Lees meer

Late beschikbaarheid aangifteformulieren erf- en schenkbelasting

  26-04-2017

De staatssecretaris van Financiën heeft Kamervragen over de aangifte erf- en schenkbelasting beantwoord. De aangifteformulieren erf- en schenkbelasting zijn pas vanaf april of mei 2017 beschikbaar, terwijl de nieuwe regels op 1 januari 2017 zijn ingevoerd. Gevraagd is waarom de formulieren niet eerder beschikbaar waren.

Door het vervallen van een ontheffingsmogelijkheid van voor aangiftes geldende vormvoorschriften per 1 januari moet voor aangiftes die betrekking hebben op overlijdens en schenkingen na 1 januari gebruik gemaakt worden van het door de Belastingdienst ter beschikking gestelde formulier. Volgens de staatssecretaris zijn deze formulieren gewoonlijk in februari beschikbaar, maar is dat dit jaar vertraagd doordat er meer aanpassingen moesten worden aangebracht. Het is niet meer mogelijk om onder bijzondere omstandigheden gebruik te maken van vormvrije bijlagen. Alle mogelijke situaties moeten in het formulier verwerkt kunnen worden.

Voor aangiftes erfbelasting geldt dat deze binnen een termijn van acht maanden na het overlijden van de erflater moeten worden gedaan. Als daaraan is voldaan wordt geen belastingrente berekend. De staatssecretaris voorziet geen problemen met het tijdig kunnen doen van aangifte door het later beschikbaar komen van de aangifteformulieren. Naar verwachting worden in juni de eerste voorlopige aanslagen 2017 opgelegd. Voor de schenkbelasting geldt dat nooit belastingrente wordt berekend.

Lees meer

Belastbaarheid uitkeringen letselschadeverzekering

  26-04-2017

Ontvangen letselschade-uitkeringen vormen vermogen, dat belast is in box 3, voor zover het totale vermogen op 1 januari van het jaar het heffingvrije vermogen van € 25.000 overschrijdt. De staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport heeft, mede namens de staatssecretaris van Financiën, Kamervragen over de fiscale positie van dergelijke verzekeringsuitkeringen beantwoord.

In zijn antwoord maakt de staatssecretaris duidelijk dat voor de berekening van eigen bijdragen voor de Wet langdurige zorg en de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 het verzamelinkomen van belang is. Het verzamelinkomen bestaat uit het inkomen uit werk en woning (box 1), het inkomen uit aanmerkelijk belang (box 2) en het belastbare inkomen uit sparen en beleggen (box 3). De wetgever heeft een bewuste keuze gemaakt voor het fiscale inkomensbegrip als grondslag voor de eigen bijdragen om de inkomensafhankelijke regelingen te harmoniseren. Per 1 januari 2013 is voor de berekening van de eigen bijdragen een vermogensinkomensbijtelling van 8% ingevoerd. Deze bijtelling gaat uit van de grondslag sparen en beleggen in box 3 van de inkomstenbelasting. De invoering van de vermogensinkomensbijtelling moet ertoe leiden dat de eigen bijdragen in de langdurige zorg meer in overeenstemming zijn met de werkelijke draagkracht dan wanneer alleen met het inkomen uit arbeid of vroegere arbeid rekening wordt gehouden. De uitkering uit een letselschadeverzekering is onderdeel van de draagkracht. Er wordt verondersteld dat bij de vaststelling van de omvang van de schadevergoeding rekening is of wordt gehouden met de gevolgen van de vermogensinkomensbijtelling.

Voor de vermogenstoets voor de toeslagen geldt een uitzondering voor vergoedingen voor immateriële schade en voor letselschadevergoedingen waarvan de hoogte is vastgelegd vóór 11 oktober 2010. Dat is de datum waarop in het regeerakkoord is besloten tot de invoering van de vermogensinkomensbijtelling per 1 januari 2013. De staatssecretaris is in overleg met instellingen als Slachtofferhulp Nederland om knelpunten bij de doorwerking van letselschadevergoedingen op het vermogen te inventariseren.

Lees meer

Sectorindeling werknemersverzekeringen

  20-04-2017

Voor de vaststelling van de hoogte van de premies werknemersverzekeringen worden werkgevers in een sector van het bedrijfs- en beroepsleven ingedeeld. De regeling Wet financiering sociale verzekeringen bepaalt op welke wijze de sectorindeling plaatsvindt. Wanneer werkzaamheden worden verricht in een bedrijfs- of beroepstak die is opgenomen in een bijlage bij de regeling, vindt indeling plaats op basis van die bijlage. Werkzaamheden die niet zijn opgenomen in de bijlage worden ingedeeld in de sector waarvan de werkzaamheden het meest overeenkomen met de niet opgenomen werkzaamheden.

Hof Arnhem-Leeuwarden was van oordeel dat een attractiepark terecht niet was ingedeeld in de sector speeltuinen en zwembaden maar in de sector kermissen en kermisgezelschappen. De attracties van het park leken het meest op de attracties die ook op kermissen aanwezig zijn. Het hof vond aannemelijk dat de bezoekers vooral vanwege de attracties naar het park kwamen. De overeenkomsten tussen kermissen en het attractiepark zijn groter dan die tussen speeltuinen en het attractiepark. Volgens de Hoge Raad heeft het hof op de juiste wijze rekening gehouden met de aard van de werkzaamheden voor de sectorindeling.

Lees meer

Forfaitaire rendementen box 3 voor 2018 en 2019

  20-04-2017

In een brief aan de Tweede Kamer heeft de staatssecretaris van Financiën een prognose gegeven van de forfaitaire rendementen in box 3 voor de jaren 2018 en 2019.

Het forfaitaire rendement voor het jaar 2018 wordt gebaseerd op de gegevens van 2016. Deze gegevens zijn inmiddels bekend. De spaarrente bedroeg in 2016 0,56%, het aandelenrendement 7,90%, het rendement op obligaties 0,29% en de huizenprijsontwikkeling was 5,08%. Het forfaitaire rendement voor 2018 komt daarmee voor sparen uit op 1,30% en voor beleggen op 5,38%.

Voor de bepaling van het forfaitaire rendement voor het jaar 2019 zijn de rendementen van 2017 van belang. Meer dan een prognose kan op dit moment niet worden gegeven. Op basis van ramingen van het CPB voor de huizenprijsontwikkeling en de kapitaalmarktrente en het in het Belastingplan 2016 vermelde geprognotiseerde langetermijnrendement op aandelen van 8,25% komt het geschatte forfaitaire rendement voor 2019 voor sparen uit op 0,89% en voor beleggen op 5,33%.

Omdat de jaarlijkse bijstelling van het forfaitaire rendement in box 3 voor het volgende belastingjaar al vroeg in het jaar kan worden vastgesteld is de staatssecretaris van plan om de Tweede Kamer voortaan in het voorjaar daarover te informeren.

Lees meer

Boete voor gebruik auto tijdens schorsing gematigd

  20-04-2017

Het is mogelijk het kenteken van een auto of een motorfiets te schorsen. Gedurende de periode van schorsing hoeft geen motorrijtuigenbelasting (mrb) te worden betaald. Het voertuig mag tijdens schorsing niet op de openbare weg komen. Gebeurt dat toch en wordt dat vastgesteld, dan wordt een naheffingsaanslag opgelegd.

Aan de eigenaar van een auto werd een naheffingsaanslag mrb met een boete opgelegd. De reden daarvoor was dat met de auto was gereden tijdens de periode van schorsing van het kenteken. De boete bedroeg 100% van de nageheven belasting.
De eigenaar meende dat de naheffingsaanslag te hoog was omdat hij de auto slechts op één dag had gebruikt. Dat is geen reden voor verlaging van de aanslag. Een naheffingsaanslag mrb wordt berekend over vier aaneensluitende tijdvakken van drie maanden met als laatste tijdvak dat waarin het gebruik van de weg is geconstateerd. Voor het berekende bedrag is niet van belang of de auto in een deel van de periode niet is gebruikt.

Het gerechtshof liet het beperkte gebruik wel meewegen bij de beoordeling van de hoogte van de boete. De eigenaar had de auto gebruikt om achteruitgang door langdurige stilstand te voorkomen. Het hof vond een boete van € 250 in plaats van € 962 volstaan voor het begane verzuim.

Lees meer

Min/max-overeenkomst en rechtsvermoeden arbeidsomvang

  14-04-2017

De wet kent een rechtsvermoeden van de arbeidsomvang. Dat rechtsvermoeden is bedoeld om de werknemer houvast te bieden wanneer de omvang van de arbeid niet of niet duidelijk is afgesproken of wanneer de feitelijke omvang van de arbeid structureel hoger is dan de overeengekomen arbeidsduur.

De vraag in een procedure voor de kantonrechter was of het rechtsvermoeden van arbeidsomvang ook speelt bij een min/max-overeenkomst. Een min/max-overeenkomst houdt in dat werkgever en werknemer zowel een minimum als een maximum aantal uren arbeid overeenkomen. Onderdeel van de afspraken is dat de werknemer in ieder geval recht heeft op loon over het minimum aantal overeengekomen uren. Ten aanzien van het aantal uren boven het minimum wordt afgesproken dat de werkgever de werknemer kan oproepen, waarna de werknemer in beginsel verplicht is aan deze oproep gehoor te geven.

De kantonrechter stelde vast dat de omvang van de arbeid duidelijk was omdat in de overeenkomst een minimum en een maximum aantal uren per periode was vastgelegd. De kantonrechter vond in dit geval de marge tussen het minimum en het maximum wel ruim, maar dat betekent niet dat dan de arbeidsomvang niet eenduidig zou zijn overeengekomen. Een beroep op het rechtsvermoeden kan dan alleen slagen als de arbeidsomvang structureel hoger ligt dan het maximum aantal overeengekomen uren. Daarvan was in dit geval geen sprake.

Lees meer

Coulancetermijn aanpassing pensioenvoorziening in eigen beheer

  13-04-2017

De staatssecretaris van Financiën heeft een besluit met de uitwerking van de coulancetermijn voor aanpassing van een pensioenvoorziening in eigen beheer gepubliceerd. Dga’s hebben tot en met 30 juni 2017 de tijd voor:

  • het premievrij maken van het in eigen beheer opgebouwde pensioen;
  • het overbrengen van elders verzekerd pensioen naar de eigen bv;
  • het aanpassen van de pensioenbrief;
  • de besluitvorming in de algemene vergadering over het pensioen.

Op grond van de goedkeuring blijft een bv met een pensioen in eigen beheer tijdens de coulancetermijn een toegelaten verzekeraar in de zin van de loonbelasting. Dat betekent dat ook pensioenopbouw tijdens de coulancetermijn mogelijk is, mits deze is gebaseerd op een reeds bestaande pensioenregeling. Het tijdens de coulancetermijn opgebouwde pensioen telt mee bij de afkoop of de omzetting in een oudedagsverplichting.

Lees meer

Cao-voorziening bij ontslag

  13-04-2017

Een werkgever moet bij het einde van een arbeidsovereenkomst na ten minste 24 maanden aan de werknemer een transitievergoeding betalen als het initiatief voor de beëindiging bij de werkgever ligt. Er hoeft geen transitievergoeding te worden betaald wanneer in de cao een gelijkwaardige voorziening is opgenomen.

De vraag in een procedure voor de kantonrechter was of de in de cao opgenomen voorziening gelijkwaardig was aan de transitievergoeding. De procedure had betrekking op een werknemer die volledig en duurzaam arbeidsongeschikt was. De werknemer kwam op grond van de geldende pensioenregeling in aanmerking voor een arbeidsongeschiktheidspensioen in aanvulling op de arbeidsongeschiktheidsuitkering en voor premievrije voortzetting van de opbouw van het ouderdomspensioen.
Volgens de kantonrechter moet bij de beoordeling van gelijkwaardigheid van een voorziening niet worden gekeken naar het moment van uitkering van het pensioen maar naar het financiële voordeel dat de premievrije opbouw oplevert. De in de cao opgenomen voorziening is volgens de kantonrechter collectief gelijkwaardig. Hoe een regeling in het individuele geval uitpakt hoeft niet in de beoordeling te worden betrokken, omdat dat in veel gevallen pas achteraf kan worden beoordeeld.

Lees meer

Voorstel aanpassing Wet werk en zekerheid

  06-04-2017

De werkgever moet een transitievergoeding betalen aan een werknemer als diens arbeidsovereenkomst na twee jaar of langer wordt beëindigd of niet wordt voortgezet op initiatief van de werkgever. Dat geldt ook als de werknemer door ziekte of gebreken zijn werk niet meer kan verrichten en herplaatsing niet mogelijk is. Het moeten betalen van een transitievergoeding bij ontslag wegens langdurige arbeidsongeschiktheid wordt door werkgevers als onrechtvaardig ervaren.

Nu wordt voorgesteld om werkgevers in die gevallen te compenseren voor de betaalde transitievergoeding. De compensatie wordt door het UWV betaald uit het Algemeen werkloosheidsfonds. De premie voor dit fonds wordt in dat kader verhoogd. De regering wil deze maatregel met terugwerkende kracht tot 1 juli 2015 invoeren. De regeling geldt zowel bij het niet verlengen van tijdelijke arbeidsovereenkomsten wanneer de werknemer bij het einde van de arbeidsovereenkomst ziek is, als bij arbeidsovereenkomsten die wegens het niet langer kunnen verrichten van de bedongen arbeid worden opgezegd of ontbonden.

Ook bij ontslag om bedrijfseconomische redenen of bij bedrijfsbeëindiging is de werkgever verplicht om een transitievergoeding te betalen. In de cao kunnen voorzieningen worden geregeld die in de plaats komen van de transitievergoeding. De gekapitaliseerde waarde van deze voorzieningen moet gelijkwaardig zijn aan het bedrag van de transitievergoeding voor een individuele werknemer. Dat kan een belemmering zijn om bij ontslagen om bedrijfseconomische redenen collectieve afspraken te maken. Voorgesteld wordt dat de gekapitaliseerde waarde van de voorzieningen niet langer gelijkwaardig hoeft te zijn aan de transitievergoeding waar de werknemer recht op zou hebben gehad. Voldoende is dat de werknemer bij ontslag om bedrijfseconomische redenen op grond van de cao recht heeft op voorzieningen die bestaan uit maatregelen om werkloosheid te voorkomen of in duur te beperken of als de cao voorziet in een redelijke financiële vergoeding.

Als volgens de cao uitsluitend recht bestaat op een financiële vergoeding moet deze gelijk zijn aan de wettelijke transitievergoeding. Een lagere financiële vergoeding is redelijk als het omwille van de continuïteit van een bedrijf of van bedrijven in een sector niet verantwoord is om vergoedingen van het niveau van de transitievergoeding te verstrekken of als cao-partijen een deel van de beschikbare middelen gebruiken voor andere voorzieningen, zoals een mobiliteitscentrum of scholingstrajecten voor werknemers. Een van de transitievergoeding afwijkende cao-regeling kan alleen betrekking hebben op ontslag wegens bedrijfseconomische redenen.

Lees meer

Voorkomen van dubbele bijtelling bij tijdelijke vervanging

  06-04-2017

Voor het privégebruik van een auto van de zaak moet een bijtelling bij het inkomen plaatsvinden. Om de bijtelling te beperken kiezen werknemers soms voor een relatief kleine auto of voor een elektrische of hybride auto. Door het formaat of de bescheiden actieradius van deze auto worden de mogelijkheden voor het gebruik beperkt. Vooral tijdens vakanties doen die beperkingen zich gelden. Reizen met een caravan of met veel bagage wordt lastig met een kleine auto. Niet alle hybride auto's mogen een aanhanger trekken. Leasemaatschappijen bieden hiervoor vaak een oplossing in de vorm van tijdelijke vervanging door een andere auto of zelfs een ander voertuig zoals een motor. Zonder verdere maatregelen leidt dat tot dubbele bijtelling voor privégebruik, zowel voor de vaste als voor de tijdelijke auto.

De Belastingdienst heeft met de vereniging van leasemaatschappijen afspraken gemaakt waarmee dubbele bijtelling kan worden voorkomen. Dat kan door in de periode van tijdelijke vervanging de normale leaseauto in te leveren bij de werkgever of bij de leasemaatschappij, inclusief de sleutels en de papieren van de auto. Verder moeten de werkgever en de werknemer schriftelijk vastleggen dat de auto gedurende de periode van vervanging niet aan de werknemer ter beschikking staat. Voor de periode van vervanging wordt de bijtelling dan berekend aan de hand van de catalogusprijs van het vervangend vervoer. Daarom moet de vastlegging de gegevens bevatten voor de berekening van de bijtelling, zoals de catalogusprijs en de CO2-uitstoot, de periode van vervanging en het kenteken van de hoofdauto. Gaat het om ander vervangend vervoer dan een auto, bijvoorbeeld een scooter of een motorfiets, dan wordt de waarde in het economisch verkeer van het privégebruik als loon in aanmerking genomen.

Lees meer

Vermogensetikettering woning ondernemer

  06-04-2017

De keuze om een vermogensbestanddeel toe te rekenen aan de onderneming of aan privé is in het algemeen afhankelijk van de wil van de ondernemer. De keuzevrijheid wordt begrensd door de redelijkheid. Zo vormt de woning van de ondernemer, behoudens bijzondere omstandigheden, naar zijn aard privévermogen. Pas bij een zakelijk gebruik van 10% of meer kan de woning tot het ondernemingsvermogen worden gerekend. Toch kan een woning ook bij minder zakelijk gebruik toch binnen de grenzen van de redelijkheid tot het ondernemingsvermogen worden gerekend als de bewoning dienstbaar is aan de bedrijfsuitoefening. Een indicatie voor dienstbaarheid aan de onderneming is de ligging van de woning in de nabijheid van het bedrijfspand.

Een ondernemer onderbouwde zijn standpunt, dat zijn woning ondernemingsvermogen was, als volgt. De woning lag naast de bedrijfshal. De woning bevatte een kantoorruimte waar de administratie van de onderneming werd gevoerd. Vanuit de woning kon toezicht op de bedrijfsactiviteiten in en rond de bedrijfshal worden gehouden en was gedurende de werkdag contact met de werknemers mogelijk. Door de ligging naast de bedrijfshal was het mogelijk om ook buiten werktijd leveringen van goederen in ontvangst te nemen. Hof Arnhem-Leeuwarden vond de woning voldoende dienstbaar aan de onderneming om de keuze van de ondernemer voor ondernemingsvermogen te respecteren. Het hof nam bij zijn oordeel mede in overweging dat de woning en de bedrijfshal in één koop waren aangeschaft, dat zij op hetzelfde perceel lagen en slechts één toegangsweg hadden.

Lees meer

Wetsvoorstel implementatie vierde Europese anti-witwasrichtlijn

  06-04-2017

In 2015 is de vierde Europese anti-witwasrichtlijn aangenomen. Deze richtlijn moet voorkomen dat het financiële stelsel wordt gebruikt voor het witwassen van geld of terrorismefinanciering. De richtlijn verplicht de lidstaten tot de invoering van een centraal register van uiteindelijk belanghebbenden van vennootschappen en andere juridische entiteiten.

De ministers van Financiën, Veiligheid en Justitie en Economische Zaken hebben een wetsvoorstel gepubliceerd ter implementatie van de Europese richtlijn. Naast bestrijding van witwassen en terrorismefinanciering heeft het register ook als doel om corruptie, fiscale misdrijven en belastingfraude te bemoeilijken. Het wetsvoorstel is nog niet naar de Tweede Kamer gestuurd, maar ter consultatie openbaar gemaakt. Wie dat wil, kan tot eind april commentaar leveren op het wetsvoorstel. Dat kan op de website overheid.nl.

Ondernemingen en rechtspersonen worden verplicht om informatie te hebben en bij te houden over wie hun uiteindelijk belanghebbenden zijn. Die informatie wordt bijgehouden in het register van uiteindelijk belanghebbenden. Dat register wordt onderdeel van het handelsregister en valt onder beheer van de Kamer van Koophandel. Een deel van de extra informatie wordt openbaar toegankelijk. Voor het Openbaar Ministerie, de politie, de Belastingdienst en de Financiële inlichtingen eenheid zijn alle gegevens toegankelijk. Op termijn worden deze instellingen verplicht om aan de Kamer van Koophandel te melden dat zij informatie hebben die afwijkt van de informatie in het handelsregister.

Het wetsvoorstel brengt wijzigingen aan in de Handelsregisterwet, de Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme en de Wet op de economische delicten.

Lees meer

Gebreken in administratie

  06-04-2017

Bij een boekenonderzoek bij een horecaondernemer stelde de Belastingdienst vast dat de detailgegevens van bestellingen verwijderd waren uit de administratie. Alleen de totaalbedragen per bestelling, de datum van de bestelling, het tijdstip van verkoop en de betaalwijze waren nog te raadplegen. De Belastingdienst meende dat de ondernemer niet aan zijn wettelijke administratieverplichtingen had voldaan door de detailgegevens niet te bewaren.

Hof Den Bosch oordeelde dat dit niet tot gevolg had dat de bewijslast moest worden omgekeerd en verzwaard. Volgens het hof had de Belastingdienst op basis van een vergelijking van de brutowinstpercentages van de onderneming met de in de branche gebruikelijke brutowinstpercentages een zinvolle controle van het verband tussen in- en verkopen kunnen maken. Volgens de Hoge Raad moeten de in een geautomatiseerd bestel- en kassasysteem ingevoerde detailgegevens bewaard worden als zij voor de heffing van belasting van belang zijn. Dat belang ontbreekt als de administratie voldoende andere gegevens bevat om de verantwoorde omzet in geld te kunnen controleren. Er is geen reden om de bewijslast om te keren en te verzwaren als de administratie slechts beperkte tekortkomingen kent.

Lees meer

Leidraad vergoeding vervroegde aflossing hypotheken

  30-03-2017

Wie vanwege de huidige lage rentestand zijn hypotheek vervroegd aflost of wil omzetten, wordt geconfronteerd met de berekening van boeterente door de bank. De wijze van berekening van het bedrag aan boeterente is vaak onduidelijk. De bank deelt de uitkomst van de berekening mee aan de klant, maar de berekening is niet te controleren. Daar is door een Europese richtlijn verandering in gekomen.

Op 14 juli 2016 is de Europese hypothekenrichtlijn in Nederland van kracht geworden. Deze richtlijn bevat voorschriften over de kosten die banken in rekening mogen brengen bij vervroegde aflossing van hypotheken. Volgens de richtlijn mogen banken niet meer kosten in rekening brengen dan het daadwerkelijke financiële nadeel dat zij lijden door de vervroegde aflossing.

In de Tweede Kamer zijn vragen gesteld over de berekening van het nadeel c.q. van de kosten die banken in rekening brengen. De Autoriteit Financiële Markten (AFM) heeft naar aanleiding van deze vragen onderzocht of de praktijk aansluit bij de aangescherpte regels van de richtlijn. Vervolgens heeft de AFM een leidraad opgesteld waarin wordt uitgelegd hoe het financiële nadeel bij vervroegde aflossing op een adequate wijze kan worden berekend. De leidraad heeft vier uitgangspunten.

  1. De vergoeding voor vervroegde aflossing wordt berekend over het bedrag van de vervroegde aflossing verminderd met het bedrag dat de klant contractueel vergoedingsvrij mag aflossen.
  2. De vergoeding wordt berekend aan de hand van een vergelijkingsrente. Dat is de rente die de bank aanbiedt voor een hypotheek met een looptijd die vergelijkbaar is met de resterende rentevastperiode. Als de bank geen vergelijkbare looptijd aanbiedt, kiest zij de hoogste naastgelegen rente.
  3. De vergoeding voor vervroegde aflossing mag niet hoger uitvallen door een inconsistente toepassing van de loan to value (LTV) verhouding bij het vaststellen van de vergelijkingsrente.
  4. De afgesproken toekomstige aflossingen van de klant worden meegenomen in de berekening van de vergoeding.

Deze wijze van berekenen van boeterente geldt niet voor vervroegde aflossingen die voor 14 juli 2016 hebben plaatsgevonden. Wie na die datum vervroegd heeft afgelost doet er goed aan de bank te vragen of het in rekening gebrachte bedrag aan boeterente in overeenstemming is met de leidraad van de AFM.

Lees meer

Middelingsverzoek te laat ingediend

  30-03-2017

De middelingsregeling is bedoeld als tegemoetkoming voor het progressienadeel dat optreedt bij sterk wisselende inkomens. Deze regeling houdt in dat de inkomens uit werk en woning (box 1) over drie aaneengesloten kalenderjaren worden samengeteld en gedeeld door drie. Aan de hand van het gemiddelde inkomen wordt vervolgens de belasting per jaar berekend. Als het verschil tussen de geheven inkomstenbelasting en premies volksverzekeringen en de berekende inkomstenbelasting en premies volksverzekeringen over de gemiddelde inkomens meer dan € 545 bedraagt, wordt het meerdere op verzoek teruggegeven. Kalenderjaren die eenmaal in een middeling zijn betrokken kunnen niet in een ander middelingsverzoek worden betrokken, tenzij de eerdere middelingsteruggaaf ongedaan is gemaakt.

Een verzoek om toepassing van de middelingsregeling moet binnen 36 maanden nadat de laatste aanslag over de drie kalenderjaren van het middelingstijdvak definitief vaststaat worden ingediend. Wanneer de aanslag over een jaar van het middelingstijdvak wordt verminderd door verrekening van een verlies uit een ander jaar, dan kan een verzoek om toepassing van de middelingsregeling ook nog worden gedaan binnen twee maanden na het tijdstip waarop de beschikking van verliesverrekening onherroepelijk is geworden. Als het verzoek later wordt ingediend hoeft de Belastingdienst het verzoek niet in behandeling te nemen.

Procedure
Onlangs heeft Hof Amsterdam geoordeeld in een procedure over een verzoek om toepassing van de middelingsregeling. Volgens het hof heeft de Belastingdienst in dit geval het verzoek terecht niet ontvankelijk verklaard. Het ging om een verzoek om middeling over de jaren 2005 tot en met 2007. Op het moment van indienen van het verzoek stonden de definitieve aanslagen over de betreffende jaren al meer dan drie jaar vast. Door verrekening van een verlies uit een later jaar werd de aanslag 2007 verminderd. Het middelingsverzoek had binnen zes weken nadat de verliesverrekeningsbeschikking onherroepelijk was geworden moeten zijn ingediend. De uiterste datum voor de indiening was 30 oktober 2014, maar het verzoek werd pas op 19 november 2014 door de Belastingdienst ontvangen. Een sluitende verklaring voor de te late indiening van het verzoek had de indiener niet. Daarom zag het hof geen aanleiding om de Belastingdienst op te dragen het verzoek in behandeling te nemen.

Lees meer

Bovenmatige kilometervergoeding

  30-03-2017

Een vergoeding voor reiskosten is vrijgesteld tot een bedrag van € 0,19 per zakelijk gereden kilometer. Wordt meer vergoed dan dat bedrag, dan vormt het meerdere loon.

Een werknemer ontving een vergoeding van € 0,31 per kilometer voor de zakelijk gereden kilometers. De werkgever merkte deze vergoeding aan als belastbaar loon voor het verschil tussen € 0,31 en € 0,19 per kilometer. De werknemer meende dat dit niet terecht was omdat de kosten per kilometer ten minste € 0,31 bedroegen. Om het in zijn ogen ten onrechte als loon aangemerkte bedrag in aftrek te brengen, verwerkte hij dit met een toelichting als studiekosten in zijn aangifte. De Belastingdienst accepteerde de aftrekpost niet.

In de procedure over de niet geaccepteerde aftrekpost voerde de werknemer aan dat sprake was van discriminatie tussen werknemers met een auto van de zaak, die geen belasting hoeven te betalen over de zakelijk gereden kilometers en werknemers die met hun privéauto zakelijke kilometers rijden en over de vergoeding, die zij ontvangen voor de zakelijk gereden kilometers, wel belasting moeten betalen.
Naar het oordeel van de rechtbank en het gerechtshof is de situatie van een werknemer die een privéauto mede zakelijk gebruikt zowel feitelijk als juridisch niet gelijk aan die van een werknemer met een auto van de zaak. De wetgever mag beide situaties dus verschillend behandelen.

Lees meer

Beperking wettelijke gemeenschap van goederen

  30-03-2017

De Eerste Kamer heeft een wetsvoorstel, dat de omvang van de wettelijke gemeenschap van goederen beperkt, aangenomen. De (volledige) gemeenschap van goederen is het huwelijksgoederenregime dat volgens de wet tot nu toe geldt wanneer echtgenoten geen afwijkende regeling hebben getroffen. Afwijking van de gemeenschap van goederen kan door het opstellen van huwelijksvoorwaarden.

Overnamerecht
Het nu aangenomen wetsvoorstel bevat een recht op overname van een gemeenschappelijk goed door een echtgenoot voor het geval een privéschuldeiser van de andere echtgenoot zich op dat goed wil verhalen. Bij de uitoefening van dat recht moet de echtgenoot de helft van de waarde van het goed vergoeden aan de gemeenschap, waarna het goed een privégoed is geworden. Financieren van de overname kan met privé spaargeld, maar ook met een privélening.

Bewijsvermoeden
Bij de afwikkeling van een huwelijksgoederengemeenschap geldt een bewijsvermoeden. Op grond daarvan wordt een goed als een gemeenschapsgoed aangemerkt als geen van de echtgenoten kan aantonen dat het goed tot zijn privévermogen behoort.

Verrekening
Het wetsvoorstel houdt geen finaal verrekenstelsel in. Een finaal verrekenbeding houdt in dat bij het einde van het huwelijk het vermogen wordt verdeeld alsof er een volledige gemeenschap van goederen was geweest. Wanneer echtgenoten dat willen, moeten zij dat regelen in huwelijkse voorwaarden.

Fiscale aspecten
Het aangenomen wetsvoorstel heeft geen nieuwe fiscale gevolgen. Bij de behandeling van het Belastingplan 2017 in de Tweede Kamer is de staatssecretaris van Financiën gevraagd om een reactie op een aantal specifieke voorbeelden die betrekking hebben op de eigenwoningregeling. De staatssecretaris heeft toegezegd zo snel mogelijk te reageren nadat duidelijk is wanneer het wetsvoorstel in werking zal treden. De staatssecretaris zal in zijn reactie ook ingaan op de fiscale consequenties van het vergoedingsrecht.

De fiscale gevolgen bij het overlijden van de partner zijn voor de langstlevende afhankelijk van het gekozen huwelijksgoederenregime. Dat verandert niet door dit wetsvoorstel. Het gekozen regime kan tijdens het huwelijk worden aangepast door het opstellen van huwelijkse voorwaarden.

Lees meer

Ontheffing concurrentiebeding

  30-03-2017

Wil een aan een werknemer opgelegd concurrentie- of relatiebeding rechtsgeldig zijn, dan moet het beding schriftelijk zijn vastgelegd. Deze eis wordt gesteld omdat een dergelijk beding bezwarend is voor de werknemer. Wanneer op een later moment ten gunste van de werknemer wordt afgeweken van een opgelegd concurrentie- of relatiebeding, is het niet nodig om deze afwijkingen schriftelijk vast te leggen. Bewijsrechtelijk is het echter wel aan te raden.

Dat de eis van schriftelijke vastlegging niet geldt voor een verzachting van een bestaand concurrentiebeding blijkt uit een recent arrest van Hof Den Haag. De procedure had betrekking op een werknemer, die in dienst trad bij een leverancier van zijn oude werkgever. Kort daarvoor was de moedermaatschappij van de oude werkgever failliet gegaan en waren de aandelen van de oude werkgever verkocht aan een directe concurrent van de leverancier van de oude werkgever. De leverancier beëindigde daarop de distributieovereenkomst met de oude werkgever. Een voormalige directeur van de oude werkgever verklaarde in de procedure dat hij op de hoogte was van de sollicitatie van de werknemer bij de leverancier en dat hij de werknemer voor zover nodig ontheffing had verleend van het concurrentie- en het relatiebeding. Op dat moment vormde deze bedingen geen belemmering voor de sollicitatie. Die belemmering onstond pas na het faillissement van de moedermaatschappij en de daaropvolgende overdracht van de aandelen.

Lees meer

Inhouding dividendbelasting

  23-03-2017

De algemene vergadering van aandeelhouders is het orgaan van de vennootschap dat bevoegd is om een dividenduitkering vast te stellen. Het bestuur van de vennootschap moet zijn goedkeuring aan het besluit verlenen voordat tot uitkering mag worden overgegaan. Het bestuur weigert alleen dan om een besluit tot dividenduitkering goed te keuren wanneer de vennootschap na uitkering niet in staat is om haar schulden te betalen. Dividendbelasting moet worden ingehouden op het moment waarop het dividend ter beschikking is gesteld. Feitelijke uitbetaling van het dividend is geen voorwaarde voor de inhouding van dividendbelasting.

Een bv beriep zich in een procedure op de nietigheid van het besluit tot dividenduitkering. Die nietigheid zou berusten op het feit dat het besluit niet in de notulen van de algemene vergadering van aandeelhouders was vastgelegd. Die vastlegging is volgens de rechtbank geen vereiste voor een rechtsgeldige dividenduitkering. Bepalend is of het eigen vermogen en de vrije reserves van de bv voldoende waren om het dividend uit te keren zonder in strijd te komen met de wet of met de statuten van de bv. Aan die eis was voldaan. De bestuurder van de bv had ingestemd met de dividenduitkering en had de aangifte dividendbelasting namens de bv ondertekend. Naar het oordeel van de rechtbank was het besluit tot uitkering van dividend rechtsgeldig. De gevraagde teruggave van dividendbelasting werd niet verleend. De vraag of nietigheid van het besluit tot dividenduitkering tot gevolg zou hebben dat achteraf bezien geen sprake was van dividend, is onbeantwoord gebleven.

Lees meer

Proceskostenvergoeding in samenhangende zaken

  23-03-2017

In belastingzaken kan een vergoeding voor de kosten van beroepsmatige rechtsbijstand worden verleend. In het Besluit proceskosten bestuursrecht is de regeling van de proceskostenvergoeding uitgewerkt. Daarin staat dat samenhangende zaken als één zaak worden beschouwd. Samenhangende zaken zijn zaken die door het bestuursorgaan of de rechter vrijwel gelijktijdig zijn behandeld, waarin rechtsbijstand is verleend door dezelfde persoon, terwijl zijn werkzaamheden in deze zaken nagenoeg identiek zijn. De gedachte achter deze regeling is het voorkomen dat een onredelijk hoge vergoeding wordt gegeven voor de werkzaamheden van de rechtsbijstandverlener in dergelijke zaken.

In iedere fase van de procedure – bezwaar, beroep, hoger beroep en cassatie – wordt afzonderlijk gekeken of sprake is van samenhangende zaken. Ook wanneer in een van de zaken, eventueel in een eerdere fase, een aanvullend geschilpunt aan de orde is, kunnen zaken als samenhangend worden aangemerkt. Bepalend daarvoor is dat de werkzaamheden van de rechtsbijstandverlener in de andere zaken nagenoeg identiek moeten zijn aan de werkzaamheden die hij voor het gemeenschappelijke punt van geschil heeft verricht in de zaak met het aanvullende geschilpunt. De beoordeling of de verrichte werkzaamheden nagenoeg identiek zijn, is beperkt tot de proceshandelingen zoals die in een bijlage bij het Besluit proceskosten bestuursrecht zijn opgesomd.

Lees meer

Hypotheekschuld dubbel verwerkt in aangifte

  16-03-2017

De Belastingdienst heeft de bevoegdheid om te weinig geheven belasting te corrigeren door het opleggen van een navorderingsaanslag. Om van die bevoegdheid gebruik te mogen maken moet de Belastingdienst wel beschikken over een nieuw feit. Dat is een feit dat de Belastingdienst ten tijde van het opleggen van de oorspronkelijke aanslag niet bekend was en ook niet bekend hoefde te zijn.

Iemand met een eigenwoningschuld van € 650.000 verwerkte deze schuld in de aangiften inkomstenbelasting niet alleen in box 1 bij de inkomsten uit eigen woning, maar ook in box 3. De inspecteur volgde de aangiften. Enkele jaren later kwam de inspecteur erachter dat dezelfde schuld tweemaal in de aangiften was opgenomen en legde hij navorderingsaanslagen op. De rechtbank vond dat de inspecteur in een van de betreffende jaren een nader onderzoek had moeten instellen. In de aangifte over dat jaar was bij beide schuldbedragen hetzelfde bedrag en hetzelfde rekeningnummer vermeld. Dat had de inspecteur aan de juistheid van deze gegevens moeten laten twijfelen. In hoger beroep voerde de inspecteur aan dat gezien de WOZ-waarde van de woning het niet onwaarschijnlijk was dat er twee hypotheekschulden waren, waarvan er een niet voor de eigen woning was besteed en daarom in box 3 was opgenomen. Het hof deelde de opvatting van de inspecteur en oordeelde dat de inspecteur beschikte over een nieuw feit. Navordering was over alle jaren toegestaan.

Lees meer

Overbruggingsregeling transitievergoeding

  16-03-2017

Bij ontslag op initiatief van de werkgever moet hij de ontslagen werknemer een transitievergoeding betalen. De hoogte van de vergoeding is gerelateerd aan de lengte van het dienstverband. Heeft het dienstverband nog geen twee jaar geduurd, dan hoeft geen transitievergoeding te worden betaald. Kleine werkgevers kunnen onder voorwaarden een beroep doen op de overbruggingsregeling transitievergoeding. Met toepassing van de overbruggingsregeling hoeft een werkgever bij ontslag van een werknemer niet de volledige transitievergoeding te betalen maar slechts een beperkte vergoeding. Een van de voorwaarden voor de toepassing van de overbruggingsregeling was dat de werkgever in de drie boekjaren, die voorafgaan aan het boekjaar waarin de arbeidsovereenkomst van een werknemer eindigt, verlies heeft geleden. Deze voorwaarde is per 1 juli 2016 in die zin aangepast dat de referentieperiode bestaat uit de jaren die aan het jaar waarin de ontslagvergunning wordt aangevraagd voorafgaan. De overbruggingsregeling mag alleen worden toegepast nadat het UWV een daartoe strekkende verklaring heeft afgegeven. Deze verklaring is geen beschikking waartegen bezwaar en beroep openstaan.

Een werkgever verzocht in 2015 het UWV om ontslagvergunningen voor enkele personeelsleden om bedrijfseconomische redenen. De werkgever diende ook een verzoek in om de overbruggingsregeling transitievergoeding voor kleine werkgevers toe te mogen passen. Het UWV verleende toestemming om de arbeidsovereenkomsten op te zeggen, maar weigerde een verklaring voor de overbruggingsregeling af te geven omdat de werkgever niet aan de voorwaarden voldeed. Uitgaande van ontslag in 2015 bestond de referentieperiode uit de jaren 2012 tot en met 2015. In 2012 had de werkgever nog een positief resultaat behaald.

Door de arbeidsovereenkomst van een van de werknemers op te zeggen met een langere opzegtermijn dan wettelijk vereist was, viel het einde van deze overeenkomst in 2016 in plaats van in 2015. De werkgever probeerde op die manier de referentieperiode te verschuiven naar de jaren 2013 tot en met 2015 om in aanmerking te komen voor de overbruggingsregeling. Naar het oordeel van het gerechtshof was de referentieperiode daardoor inderdaad verschoven. Toch stond het gerechtshof de werkgever niet toe om de overbruggingsregeling toe te passen. De reden voor de opzegging van de arbeidsovereenkomst was de slechte economische positie van de werkgever. In een dergelijke situatie is het niet redelijk om de opzegtermijn langer te maken dan strikt noodzakelijk met geen ander doel dan toepassing van de overbruggingsregeling mogelijk te maken. De werknemer had recht op betaling van de volledige transitievergoeding.

Lees meer

Eén of meer prestaties?

  16-03-2017

Voor de omzetbelasting geldt dat iedere prestatie afzonderlijk moet worden beschouwd. Onder omstandigheden kunnen afzonderlijke prestaties als één enkele handeling worden aangemerkt. Dat doet zich voor wanneer zij zo nauw met elkaar verbonden zijn dat zij objectief gezien één enkele en ondeelbare economische prestatie vormen, waarvan splitsing kunstmatig zou zijn. Ook wanneer sprake is van een hoofdprestatie en een of meer bijkomende prestaties wordt het geheel als één prestatie aangemerkt. Het belang van het aanmerken als één prestatie is gelegen in het tarief dat op de prestatie van toepassing is. Wanneer op alle onderdelen hetzelfde tarief van toepassing is, ontbreekt het belang.

Een organisator van obstacle runs verstrekte als tegenprestatie voor het inschrijfgeld aan de deelnemers ook een shirt met opdruk en een drankje bij de finish. Het shirt werd als wedstijdshirt aangemerkt. Volgens de algemene voorwaarden waren de deelnemers verplicht om het wedstrijdshirt te dragen tijdens het evenement, maar controle daarop vond niet plaats. Het shirt was niet lost te koop.

De deelname aan een sportevenement valt onder het lage tarief voor de omzetbelasting. De levering van kleding en de verstrekking van een drankje valt onder het normale tarief. De wedstrijdorganisator merkte de gecombineerde levering aan als één ondeelbare prestatie, die in zijn geheel onder het lage tarief viel. De rechtbank deelde deze opvatting niet. In de praktijk droegen de deelnemers het shirt niet tijdens de deelname en werd het achteraf uitgereikt. Nodig voor deelname was het dus niet. Dat gold ook voor het drankje bij de finish. De rechtbank paste de hoofdregel, dat elke prestatie zelfstandig moet worden beschouwd, in dit geval toe.

Volgens de rechtbank waren de levering van het wedstrijdshirt en het drankje geen bijkomende prestaties bij deelname. Een prestatie is bijkomend wanneer zij voor de afnemer geen doel op zich is, maar een middel om de hoofdprestatie aantrekkelijker te maken. Zowel de levering van het shirt als de levering van het drankje was volgens de rechtbank voor de deelnemers een doel op zich. Beide prestaties hebben zelfstandig een nuttige functie die losstaat van het meedoen aan de obstacle run. De levering van het shirt en van het drankje waren belast tegen het algemene tarief en deelden niet in het lage tarief van deelname aan de obstacle run.

Lees meer

Toepassing onbeperkte navorderingstermijn erfbelasting

  09-03-2017

In het verleden kwam het regelmatig voor dat mensen in het buitenland een bankrekening aanhielden en op die manier probeerden vermogen en inkomsten buiten het zicht van de Belastingdienst te houden. Door het opheffen van het bankgeheim en door onderlinge afspraken tussen landen over de automatische uitwisseling van gegevens over bankrekeningen is dat een stuk lastiger geworden. Het achteraf moeten betalen van belasting en boete over een reeks van jaren weerhoudt mensen ervan om schoon schip te maken door hun verzwegen vermogen en inkomsten alsnog op te geven.

De Belastingdienst heeft, wanneer aanvankelijk te weinig belasting is geheven, de mogelijkheid om dat te corrigeren door het opleggen van een navorderingsaanslag. De bevoegdheid om een navorderingsaanslag op te leggen vervalt na een termijn van vijf jaar na het tijdstip waarop de belastingschuld is ontstaan. Voor de belastingheffing over buitenlandse inkomens- of vermogensbestanddelen geldt een verlengde navorderingstermijn van twaalf jaar. Wie gedurende langere tijd zijn buitenlandse inkomens- of vermogensbestanddelen niet in zijn aangifte heeft verwerkt, kan dus geconfronteerd worden met een reeks aan navorderingsaanslagen.

De mogelijkheid om na te vorderen geldt ook voor de erfbelasting. Voor de inkomstenbelasting verzwegen buitenlands vermogen blijft ook vaak buiten de aangifte erfbelasting. Soms is dat onbewust, omdat de erfgenamen niet op de hoogte zijn van de buitenlandse bezittingen.

Uitsluitend voor de heffing van erfbelasting geldt sinds 1 januari 2012 een onbeperkte navorderingstermijn voor verzwegen buitenlands vermogen. De invoering van de onbeperkte navorderingstermijn geeft de Belastingdienst echter niet het recht om na te vorderen in gevallen waarin op 1 januari 2012 de twaalfjaarstermijn al was verstreken. Dat volgt uit de tekst van de wet. Ook volgens de wetsgeschiedenis geldt de onbeperkte navorderingstermijn niet met terugwerkende kracht, maar alleen voor zover op 1 januari 2012 de bevoegdheid tot navordering nog aanwezig was.

Lees meer

Wetsvoorstel uitfasering pensioen in eigen beheer aangenomen

  09-03-2017

De Eerste Kamer heeft met algemene stemmen het wetsvoorstel uitfasering van pensioen in eigen beheer aangenomen. De mogelijkheid om een pensioen in eigen beheer bij de bv voor de directeur-grootaandeelhouder (dga) op te bouwen is hierdoor afgeschaft. De wet introduceert een tijdelijke maatregel om een reeds opgebouwd pensioen in eigen beheer fiscaal vriendelijk af te kopen. Voor dga’s, die geen gebruik van de afkoopmogelijkheid kunnen of willen maken, biedt de wet de mogelijkheid om de pensioenvoorziening om te zetten in een oudedagsreserve of om de pensioenvoorziening te bevriezen. De wet is per 1 april van kracht geworden.

Ook de novelle, het wetsvoorstel dat is ingediend om het wetsvoorstel uitfasering pensioen in eigen beheer aan te passen nadat het was aangenomen door de Tweede Kamer, is door de Eerste Kamer aangenomen. De novelle heeft aan het oorspronkelijke wetsvoorstel de voorwaardelijke mogelijkheid tot aftrek van de lasten van de toekomstige indexatie van pensioenen toegevoegd.

De wet bevat ook enkele fiscale maatregelen die betrekking hebben op andere oudedagsvoorzieningen dan pensioen in eigen beheer. Deze maatregelen zijn bedoeld ter vereenvoudiging van de uitvoering van de wetgeving en ter vermindering van administratieve lasten.

Lees meer

Onderzoek KvK onder zzp’ers

  09-03-2017

De Kamer van Koophandel (KvK) heeft een onderzoek gehouden onder zzp’ers. Het onderzoek is gericht op de belemmeringen en obstakels waarmee zzp’ers geconfronteerd worden. De antwoorden op de vragen geven een ander inzicht in de positie van de zzp’er dan het beeld dat daarvan in de media wordt geschetst. Er hebben 580 zzp’ers meegedaan aan het onderzoek. Vrijwel alle deelnemers aan het onderzoek zien zichzelf als ondernemer en weten welke eisen de Belastingdienst aan het ondernemerschap stelt.

De KvK heeft gevraagd in hoeverre zzp’ers in 2016 meer dan in het jaar daarvoor zijn geconfronteerd met opdrachtgevers die liever geen zzp'ers inhuren. 18% van de respondenten heeft die ervaring. Daar staat tegenover dat 22% heeft aangegeven in 2016 minder vaak dan in 2015 geconfronteerd te zijn met opdrachtgevers die liever geen zzp’ers inhuren. Ook blijkt dat 30% van de respondenten heeft aangegeven minder vaak moeite te hebben gehad om aan nieuwe opdrachten te komen, waar 16% verklaart vaker moeite te hebben gehad om aan opdrachten te komen.

Uit het onderzoek leidt de staatssecretaris van Financiën af dat het aantal zzp’ers dat makkelijker aan opdrachten komt groter is dan het aantal zzp’ers dat meer moeite heeft met het vinden van opdrachten. Of de zzp'ers het in zakelijk opzicht in 2016 goed hebben gedaan is onbekend. De Belastingdienst onderzoekt of daarover op basis van de btw-aangiften conclusies zijn te trekken. Als uit de btw-aangiften conclusies te trekken zijn,  zal de staatssecretaris de uitkomsten aan de Kamer melden.

Lees meer

Belastingvrij schrappen vordering op dga?

  02-03-2017

Op grond van de Wet openbaarheid van bestuur (Wob) kan iemand een verzoek indienen om openbaarmaking van informatie van een overheidsorgaan. Het gaat om de openbaarmaking van gegevens die zijn vastgelegd in documenten, voor zover deze nog niet openbaar zijn. Het bestuursorgaan kan besluiten om documenten geheel of gedeeltelijk niet openbaar te maken.

De staatssecretaris heeft onlangs gereageerd op een verzoek om openbaarmaking met betrekking tot het beleid van het ministerie van Financiën en de Belastingdienst ten aanzien van het belastingvrij afboeken van een vordering van een bv op haar dga. Noch de Belastingdienst, noch het ministerie van Financiën heeft op dat punt beleid geformuleerd. Van geval tot geval wordt op basis van wet- en regelgeving en jurisprudentie een afweging gemaakt. Binnen de Belastingdienst is een memo verschenen met handvatten voor de praktijk. Dat memo en het intranetbericht waarin het memo is aangekondigd worden openbaar gemaakt. Er is geen projectgroep samengesteld en dus zijn er geen documenten van een dergelijke groep voorhanden. Ook is er geen definitief standpunt door de kennisgroep ingenomen. De correspondentie binnen de kennisgroep is opgesteld voor intern beraad en wordt niet openbaar gemaakt.

Het nu openbaar gemaakte memo is opgesteld als reactie op een artikel in het Weekblad voor Fiscaal Recht. In dat artikel wordt beschreven hoe het standpunt van de Belastingdienst dat een opgelopen rekening-courantschuld als een uitdeling wordt aangemerkt, in het voordeel van de belastingplichtige wordt omgebogen. Dat is aan de orde als de uitdeling langer dan vijf jaar geleden geconstateerd had moeten worden. De termijn om na te kunnen vorderen is dan verstreken. In andere gevallen zou het bestaan van een nieuw feit bestreden kunnen worden. Ook dan kan er niet worden nagevorderd over de achteraf geconstateerde uitdeling. In die gevallen zou de rekening-courantstand verdwenen zijn zonder enige heffing. De in het artikel beschreven methodiek wordt in de praktijk als een fiscaal product verkocht. De Belastingdienst zal voorkomende gevallen bestrijden.

Lees meer

Gebruik camerabeelden niet toegestaan voor controle privégebruik auto

  02-03-2017

Het gebruik door de Belastingdienst van gegevens die met camera’s van de politie worden verzameld voor de controle op het privégebruik van een auto van de zaak is niet toegestaan. Dat gebruik vormt een niet toegestane inbreuk op de privacy, omdat het niet is gebaseerd op de wet maar op een overeenkomst met de politie.

Voor het privégebruik van een auto van de zaak moet een bedrag bij het loon van de werknemer worden geteld. De werkgever hoeft geen bijtelling te doen als de werknemer hem een verklaring overhandigt dat hij de auto niet privé gebruikt. De werknemer moet aan de hand van een rittenadministratie kunnen bewijzen dat hij de auto in een kalenderjaar voor niet meer dan 500 km privé heeft gebruikt. Voor de controle op het privégebruik maakt de Belastingdienst gebruik van door camera’s van de politie verzamelde gegevens. Deze camera’s werken met automatische nummerplaatherkenning en staan op diverse plaatsen in het land op doorgaande wegen. De Belastingdienst bewaart alleen gegevens die fiscaal van belang kunnen zijn. De overige gegevens worden door de Belastingdienst direct vernietigd.

Volgens de Nederlandse Grondwet heeft iedereen recht op eerbiediging van zijn persoonlijke levenssfeer. Inbreuken daarop zijn alleen toegestaan als zij zijn gebaseerd op een wet in formele zin. De Hoge Raad legt dat vereiste zo uit, dat een inbreuk in het privéleven moet berusten op een naar behoren bekend gemaakt wettelijk voorschrift, waaruit de burger duidelijk kan afleiden welke privégegevens voor een bepaalde overheidstaak kunnen worden verzameld en vastgelegd, en onder welke voorwaarden die gegevens kunnen worden bewerkt, bewaard en gebruikt. Het gebruikmaken van gegevens van politiecamera’s door de Belastingdienst berust niet op een wettelijke regeling en is daarom niet toegestaan.

Lees meer

Hoge Raad komt met uitleg begrip woning voor overdrachtsbelasting

  02-03-2017

Bij de verkrijging van een onroerende zaak moet overdrachtsbelasting worden betaald. Het normale tarief is 6% van de koopsom. Voor woningen geldt een lager tarief van 2% van de koopsom. Sinds de verlaging van het tarief voor de overdrachtsbelasting voor woningen zijn er diverse procedures gevoerd over het begrip woning. De Hoge Raad heeft dat begrip in een aantal arresten uitgelegd.

Uitleg begrip
Volgens de memorie van toelichting bij het wetsvoorstel, waarin de verlaging van het tarief is geregeld, gaat het erom dat een pand naar zijn aard is bestemd voor bewoning. Of een pand feitelijk wordt bewoond is daarbij niet van belang. Evenmin is van belang of de koper de gekochte zaak wil gaan bewonen. De vraag of een onroerende zaak een woning is, moet worden beantwoord aan de hand van de kenmerken van het bouwwerk zelf. In eerste instantie moet worden gekeken naar het doel waarvoor een pand oorspronkelijk is ontworpen en gebouwd. Was dat bewoning, maar is het pand later verbouwd om het geschikt te maken voor ander gebruik, dan is het pand een woning gebleven als er slechts beperkte aanpassingen nodig zijn om het weer voor bewoning geschikt te maken. Kan op basis hiervan geen duidelijke conclusie worden getrokken, dan zijn door publiekrechtelijke voorschriften gestelde eisen of opgelegde beperkingen aan het gebruik van het pand mede van belang.

Toepassingen in de praktijk 

  • Een in 1895 gebouwde stadsvilla, die aanvankelijk werd bewoond maar later als kantoorpand is gebruikt, is een woonhuis gebleven. Het ontbreken van een keuken en een badkamer verhinderen die kwalificatie niet, omdat het pand met beperkte aanpassingen weer kan worden bewoond.
  • Een in 2006 als hospice gebouwd pand is geen woning. Anders dan het gerechtshof oordeelde, is het pand gebouwd en dus bestemd als verzorgingsinstelling. Dat volgt uit de kenmerken van het pand.
  • Een oorspronkelijk als woonhuis gebouwd pand, dat ten tijde van de verkoop als tandartspraktijk wordt gebruikt, heeft het karakter van woning niet verloren door dat gebruik. De oorspronkelijke indeling is behouden, al zijn bij de ingebruikname als praktijk de keuken- en badkamerinrichting verwijderd. Het is relatief eenvoudig om het pand geschikt te maken voor bewoning. In het pand is nog steeds een keukenruimte en een betegelde badkamerruimte aanwezig.
  • Ook een pand dat oorspronkelijk is gebouwd voor een ander doel dan bewoning maar later is verbouwd tot woning valt onder het lage tarief van de overdrachtsbelasting. Dat bleek in een procedure die betrekking had op een boerderij, die later werd verbouwd tot woonhuis. Na de verbouwing werd de voormalige boerderij als kantoorruimte gebruikt. Bepalend voor de kwalificatie als woning was dat het pand met beperkte aanpassingen kan worden bewoond en dat het ook naar zijn uiterlijke verschijningsvorm een woning is. De tijdelijke ontheffing van de woonbestemming voor het gebruik als kantoor is niet van invloed op de kwalificatie.

Lees meer

Ondernemer, ondanks beperkt aantal opdrachtgevers

  23-02-2017

De kwalificatie als ondernemer voor de inkomstenbelasting is van belang voor het recht op ondernemersaftrek. Iemand is ondernemer als hij zijn activiteiten zelfstandig uitoefent. Dat houdt in, dat hij zijn werkzaamheden niet onder toezicht en leiding van zijn opdrachtgever verricht en dat hij streeft naar continuïteit door verschillende opdrachten te verwerven en daarbij ondernemersrisico loopt. De beoordeling van het ondernemersrisico gebeurt aan de hand van factoren als het zelfstandig aantrekken en behouden van klanten en het lopen van financiële risico’s in verband met investeringen in bedrijfsmiddelen of debiteuren.

In een procedure voor de rechtbank over het ondernemerschap ging het om de vraag of voldaan was aan de eisen van voldoende zelfstandigheid en duurzaamheid. De Belastingdienst meende dat met name aan die laatste eis niet was voldaan omdat er maar enkele opdrachtgevers waren. De belastingplichtige had vanaf de start van zijn activiteiten in 2013 direct twee opdrachtgevers. In 2014 had hij drie opdrachtgevers kunnen hebben, maar om persoonlijke redenen zag hij zich gedwongen om de derde opdracht af te zeggen. In 2015 heeft de belastingplichtige voor vier opdrachtgevers gewerkt. Vanwege de onzekerheid die de procedure met de Belastingdienst inhield heeft de belastingplichtige eind 2015 tijdelijk een dienstbetrekking aanvaard.

Ten aanzien van het ondernemersrisico wees de belastingplichtige op het niet genieten van inkomsten bij ziekte of vakantie, de opzegbaarheid van de contracten met zijn opdrachtgevers en de door hem afgesloten arbeidsongeschiktheids- en aansprakelijkheidsverzekering. De rechtbank vond voldoende aannemelijk gemaakt dat sprake was van ondernemerschap. De rechtbank merkte daarbij op, dat het niet noodzakelijk is om gelijktijdig voor meerdere klanten te werken.

Lees meer

Verhuur studentenkamers

  23-02-2017

Levert de verhuur van studentenkamers belastbaar inkomen in box 1 of in box 3 op? Als de opbrengsten in box 1 vallen, gaat het dan om winst uit onderneming of om van resultaat uit overige werkzaamheden? Deze vragen zijn onlangs aan het gerechtshof voorgelegd. Bij de verhuur van onroerende zaken wordt de grens tussen vermogensbeheer en onderneming gevormd door de omvang van de persoonlijk verrichte arbeid en het daarmee behaalde rendement. Er is pas sprake van een onderneming als meer arbeid wordt verricht dan bij normaal vermogensbeheer gebruikelijk is en het daarmee behaalde rendement hoger ligt.

Procedure
De procedure betrof iemand die in 25 jaar tijd in totaal 23 panden heeft aangekocht, die hij gebruikt voor kamerverhuur. Het beheer van de panden is aanvankelijk gedeeltelijk en later geheel uitbesteed aan een externe partij. De eigenaar geeft de opbrengsten van de panden aan in box 3. Daarnaast beheert de eigenaar enkele panden voor een derde, waarvoor hij een wisselende vergoeding ontvangt. Deze vergoeding verantwoordt hij als resultaat uit overige werkzaamheden. De inspecteur is van mening dat sprake is van winst uit onderneming. Bij het vaststellen van de aanslagen over 2010 en 2011 is de inspecteur afgeweken van de aangiften. Over de jaren 2007 tot en met 2009 heeft de inspecteur navorderingsaanslagen opgelegd.

Onderneming
Een onderneming is een duurzame organisatie van kapitaal en arbeid, die deelneemt aan het maatschappelijke productieproces om daarmee winst te behalen. In dit geval moest de inspecteur aannemelijk maken dat de exploitant van de panden meer arbeid verrichtte in het kader van de verhuur dan gebruikelijk en dat het behaalde rendement hoger lag. Daar slaagde de inspecteur niet in. De door de inspecteur aangevoerde activiteiten als het innen van de huur, het regelen van nieuwe huurders, het opstellen van huurcontracten, het uitvoeren van inspecties na afloop van het huurcontract en het voeren van de administratie zijn werkzaamheden die passen bij normaal vermogensbeheer. De voor het beheer van de panden betaalde vergoeding van € 7.200 was in verhouding tot het aantal panden bescheiden. De navorderingsaanslagen over de jaren 2007 tot en met 2009 moeten volgens het hof worden vernietigd. De aanslagen voor de jaren 2010 en 2011 moeten overeenkomstig de ingediende aangiften worden vastgesteld.

Lees meer

Nietig proeftijdbeding

  23-02-2017

Het is wettelijk niet toegestaan om een proeftijd op te nemen in een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd van niet meer dan zes maanden. Een werkgever had een proeftijdbeding opgenomen in een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd. Met een beroep op het proeftijdbeding had de werkgever de arbeidsovereenkomst binnen een maand beëindigd. De werkgever stelde zich op het standpunt dat de arbeidsovereenkomst een duur had van zes maanden en één dag. Dat zou betekenen dat het proeftijdbeding geldig zou zijn.

Het gerechtshof vond dat de arbeidsovereenkomst niet duidelijk was geformuleerd. Er stond in, dat de werknemer in dienst trad voor de bepaalde tijd van zes maanden, maar ook dat de werknemer op 11 februari 2016 in dienst trad en dat de arbeidsovereenkomst derhalve van rechtswege eindigde op 11 augustus 2016. Dit riep de vraag op of was bedoeld dat de arbeidsovereenkomst liep tot of tot en met 11 augustus 2016. Het hof oordeelde dat de werknemer ervan mocht uitgaan dat een duur van zes maanden was overeengekomen. Het opnemen van een proeftijdbeding vond het hof niet voldoende om te concluderen dat partijen een duur van zes maanden en één dag overeen hadden willen komen.

Als de werkgever het verbod op een proeftijdbeding had willen omzeilen door een arbeidsovereenkomst van zes maanden en één dag aan te gaan, had de werkgever dit duidelijk moeten communiceren. Dat had hij niet gedaan. Het gevolg was dat het proeftijdbeding nietig was en de opzegging van de arbeidsovereenkomst onregelmatig. Op die grond verzocht de werknemer om schadevergoeding. Volgens de tekst van de wet is de schadevergoeding gelijk aan het bedrag van het loon in geld over de resterende periode van de arbeidsovereenkomst.

De rechter heeft de bevoegdheid om die vergoeding te verminderen. De vergoeding mag na vermindering niet lager zijn dan het loon voor drie maanden. Het hof maakte gebruik van zijn bevoegdheid om de schadevergoeding te matigen, omdat de ontslagen werknemer inmiddels bij een nieuwe werkgever in dienst was getreden.

Lees meer

Aftrek hypotheekrente niet-ingezetene naar rato van inkomen

  23-02-2017

Onlangs heeft het Hof van Justitie EU uitspraak gedaan op vragen van de Hoge Raad over de aftrek van hypotheekrente door iemand die niet in Nederland woont, maar wel inkomen heeft uit Nederland en geen inkomen in het woonland.

Uitbreiding mogelijkheden voor aftrek
Door het arrest van het Hof van Justitie EU in de zaak Schumacker uit 1995 konden niet-ingezetenen persoonlijke aftrekposten al in de werkstaat claimen als zij daar 90% of meer van het gezinsinkomen verdienen. Het Hof van Justitie EU heeft de mogelijkheid om aftrekposten te benutten voor niet-ingezetenen nu uitgebreid door te bepalen dat voldoende is dat 90% of meer buiten de woonstaat wordt verdiend. Als aan deze voorwaarde is voldaan, is aftrek in de werkstaat mogelijk. De aftrek gebeurt naar rato van het aandeel van het inkomen dat in een werkstaat wordt verdiend.

Procedure
De uitspraak van het Hof van Justitie EU is gewezen in de situatie van een in Spanje wonende Nederlander. Deze persoon was dga van twee bv’s. Een bv was gevestigd in Nederland; de andere in Zwitserland. De dga verdiende 60% van zijn inkomen bij de Nederlandse bv en 40% bij de Zwitserse bv. In Spanje had hij een eigen woning. De betaalde hypotheekrente kon hij daar niet in aftrek brengen. Volgens het Hof van Justitie EU heeft de dga in Nederland recht op aftrek van 60% van de betaalde hypotheekrente. Dit percentage komt overeen met het deel van het inkomen waarover Nederland heffingsbevoegdheid heeft. Volgens het Hof van Justitie EU is voor de omvang van het recht op aftrek niet van belang of de niet-ingezetene een deel van zijn inkomen ontvangt uit een land dat geen deel uitmaakt van de EU.

Lees meer

Risico’s van overname lijfrenteverplichting

  17-02-2017

Verkoopt een ondernemer zijn onderneming, dan kan hij als tegenprestatie van de overnemer een lijfrente bedingen. Dat komt nogal eens voor bij de overdracht van de onderneming aan een eigen bv. Draagt de bv deze lijfrenteverplichting over aan een andere partij dan een professionele verzekeringsmaatschappij, dan is niet langer voldaan aan de voorwaarden voor de aftrek van lijfrentepremie. Een voorbeeld van een dergelijke niet toegestane overdracht is de overdracht door de bv, die de onderneming heeft overgenomen, aan de persoonlijke holding van de ondernemer.

Toegelaten verzekeraar
De koopsom of premie voor een lijfrenteverzekering is alleen aftrekbaar van het belastbare inkomen als de verzekering wordt afgesloten bij een toegelaten verzekeraar. Welke instellingen dat zijn, wordt in de wet opgesomd. Het kan een bank of een professionele verzekeringsmaatschappij zijn. In Nederland wonende personen of gevestigde rechtspersonen kunnen ook verzekeraar zijn, op voorwaarde dat de lijfrente wordt bedongen als tegenprestatie voor de overdracht van een onderneming.

Financiële consequenties
Wordt niet of niet meer aan deze voorwaarden voldaan, dan wordt de waarde van de lijfrente bij het belastbare inkomen geteld. Naast de belastingheffing wordt ook revisierente in rekening gebracht. Dat is een extra heffing van 20% over de waarde van de lijfrente in het economisch verkeer.

Uitspraak Hof Den Haag
Twee ondernemers brachten hun aandeel in een vof (vennootschap onder firma) onder in een bv. De aandelen in de bv werden gehouden door de persoonlijke holdings van de twee ondernemers. Bij de overdracht van de onderneming bedongen ze een lijfrente als tegenprestatie. Jaren later worden de aandelen in de bv verkocht aan derden. Omdat de ondernemers voor hun lijfrenten niet afhankelijk willen zijn van de kopers van de bv, laten zij de lijfrenteverplichtingen voor de overdracht van de aandelen overnemen door hun persoonlijke holdings. Daar ging het mis, want de holdings zijn geen toegelaten verzekeraars. De lijfrenten werden niet bedongen als tegenprestatie voor de overdracht van een onderneming aan de persoonlijke holdings. Dat de lijfrenteverplichtingen op reguliere wijze door de holdings werden afgewikkeld, vond het hof niet van belang. De overname van de lijfrenteverplichtingen door de holdings kwalificeerde als afkoop van de lijfrente. De waarde in het economisch verkeer van de lijfrente werd bij ieder van de ondernemers als negatieve uitgave voor inkomensvoorziening tot het belastbare inkomen gerekend. Over de waarde van de lijfrente moesten zij ook nog eens 20% revisierente betalen.

Moraal
Gezien de grote financiële belangen moet u zeer voorzichtig zijn bij de overdracht van lijfrenteverplichtingen.

Lees meer

Onttrekking aan het vermogen van de bv

  16-02-2017

Een lening van een bv aan haar aandeelhouder, die niet afgelost kan of zal worden, heeft mogelijk fiscale gevolgen. Wanneer de bv en de aandeelhouder zich ervan bewust zijn dat de lening niet zal worden afgelost, is sprake van een onttrekking aan het vermogen van de bv. Deze onttrekking vormt belastbaar inkomen voor de aandeelhouder. De inspecteur, die stelt dat sprake is van onttrekking, moet dit aannemelijk maken. In de volgende zaak is de inspecteur volgens de rechtbank hierin geslaagd.

Oplopende rekening-courantschuld
De rekening-courantschuld van een dga aan zijn bv liep tussen 2009 tot 2011 met tienduizenden euro’s op. Er was geen schriftelijke rekening-courantovereenkomst opgesteld en de dga had geen zekerheden voor de betaling van rente en aflossing gesteld. Een schema voor de betaling van aflossing en rente ontbrak. De bv had geen incassomaatregelen getroffen. De Belastingdienst merkte de opgelopen schuld aan als een onttrekking. Het bedrag van de rekening-courantschuld werd als door de dga genoten dividend beschouwd. Dat is belast in box 2 als inkomen uit aanmerkelijk belang.

Oordeel rechtbank
Gelet op de feiten en omstandigheden besliste de rechtbank dat de inspecteur erin was geslaagd de onttrekking aannemelijk te maken. De dga beschikte niet over voldoende inkomen of vermogen om de rekening-courantschuld te kunnen aflossen. Dat ruim na 2011 (nadat de discussie met de inspecteur over de opgelopen rekening-courantschuld was ontstaan) alsnog een schriftelijke overeenkomst werd opgemaakt, deed daaraan geen afbreuk.

Lees meer

Tijdklemmen kapitaalverzekeringen vervallen per 1 april 2017

  16-02-2017

De uitkering uit een kapitaalverzekering eigen woning (KEW) is vrijgesteld van inkomstenbelasting wanneer aan een aantal voorwaarden is voldaan. Er wordt onderscheid gemaakt tussen een lage en een hoge vrijstelling. Voor de lage vrijstelling geldt dat ten minste 15 jaar jaarlijks premie moet zijn betaald. Voor de hoge vrijstelling moet ten minste 20 jaar premie zijn betaald. De jaarpremies mogen de verhouding 1:10 niet overschrijden en de uitkering moet worden gebruikt voor aflossing van de eigenwoningschuld. Deze regeling geldt niet alleen voor de KEW, maar ook voor de spaarrekening eigen woning (SEW) en het beleggingsrecht eigen woning (BEW).

Vervallen tijdklemmen
In een aantal situaties hoeft niet voldaan te zijn aan de duur van premiebetaling om toch een vrijgestelde uitkering te ontvangen. Bij de behandeling van het wetsvoorstel Overige fiscale maatregelen 2017 heeft de Tweede Kamer een amendement aangenomen om de voorwaarde van de duur van premiebetaling, de zogenoemde tijdklemmen, te laten vervallen. Over de gevolgen daarvan is overleg gevoerd tussen het Ministerie van Financiën, De Nederlandsche Bank, de Autoriteit Financiële Markten en het Verbond van Verzekeraars. Dat heeft ertoe geleid dat de staatssecretaris van plan is via een koninklijk besluit de tijdklemmen af te schaffen per 1 april 2017.

In veel gevallen is het overigens niet gunstig om een KEW, SEW of BEW voortijdig te beëindigen, omdat de kosten aan het begin van de looptijd vallen en de opbouw van vermogen en het rendement pas na de eerste jaren plaatsvindt.

Overige kapitaalverzekeringen
In het verleden (voor de invoering van de Wet IB 2001) golden de tijdklemmen ook voor andere kapitaalverzekeringen dan de KEW. Dergelijke verzekeringen kunnen nog steeds bestaan. Ook voor deze verzekeringen kunnen de tijdklemmen vervallen. Omdat het eerder genoemde amendement geen betrekking heeft op deze kapitaalverzekeringen zal dit in een beleidsbesluit van de staatssecretaris worden geregeld.

Goedkeuring
Door het amendement wordt de wettelijke eis dat ten minste 15 jaar jaarlijks premie moet zijn voldaan gewijzigd in de eis dat gedurende de gehele looptijd jaarlijks premie is voldaan. Dat zou tot gevolg hebben dat polissen met een looptijd van 30 jaar, die na 20 jaar premiebetaling premievrij zijn gemaakt, niet aan de eisen voor een vrijstelling voldoen. De staatssecretaris zal in een beleidsbesluit goedkeuren dat personen, die gebruik hebben gemaakt van de mogelijkheid om de polis na ten minste 15 jaar premiebetaling premievrij te maken, geacht worden te hebben voldaan aan de eis dat gedurende de looptijd jaarlijks premie is voldaan.

Lees meer

Factuur uitgereikt voor aanvang prestatie

  09-02-2017

De wet verplicht ondernemers om voor hun leveringen en diensten aan andere ondernemers een factuur uit te reiken. Ondernemers ontlenen aan deze factuur het recht op aftrek van de aan hen in rekening gebrachte omzetbelasting. Daarvoor moet de factuur wel voldoen aan de wettelijke eisen. De wet schrijft niet voor op welk tijdstip een factuur kan worden uitgereikt. Dit betekent dat een factuur kan worden uitgereikt voordat de overeengekomen prestatie is verricht. Een document dat voldoet aan vrijwel alle eisen die aan een factuur gesteld worden, kan als factuur worden aangemerkt.

Wel of geen factuur?
In een procedure voor Hof Den Bosch kwam de vraag aan de orde of een door een leverancier opgesteld document een factuur was. Het antwoord op deze vraag was bepalend voor het jaar waarin de afnemer recht op aftrek van voorbelasting had. Het document had betrekking op een nog te bouwen bedrijfspand en vermeldde een factuurnummer, de totale prijs en de daarover verschuldigde omzetbelasting. De Belastingdienst accepteerde het document niet als factuur en legde aan de afnemer een naheffingsaanslag op, ter correctie van de hem eerder verleende teruggaaf. Het hof stelde vast dat het document voldeed aan vrijwel alle voorwaarden die aan een factuur worden gesteld. De afnemer had de factuur niet betaald in 2008, maar de omzetbelasting wel in aftrek gebracht. De leverancier had de omzetbelasting niet in 2008 afgedragen, maar reikte in 2009 naarmate de bouw vorderde deelfacturen uit. De op die deelfacturen in rekening gebrachte omzetbelasting bracht de afnemer niet in aftrek. Hof Den Bosch accepteerde het document als factuur en vernietigde de naheffingsaanslag.

Het hof verwees in zijn uitspraak naar een arrest van het Hof van Justitie EU uit 2016. In dat arrest is geoordeeld dat de Belastingdienst aftrek van voorbelasting niet mag weigeren omdat de factuur niet voldoet aan alle formele voorwaarden wanneer de Belastingdienst weet dat is voldaan aan de materiële voorwaarden voor het recht op aftrek. In dit geval had de Belastingdienst ook rekening moeten houden met de in de aannemingsovereenkomst vermelde gegevens.

Lees meer

Vanaf 21 jaar recht op volledig wettelijk minimumloon

  09-02-2017

De Eerste Kamer heeft de wijziging van de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag als hamerstuk aangenomen. Jongeren vanaf 21 jaar krijgen daardoor recht op het het volledige wettelijk minimumloon. Volgens de oude wet ontstond het recht op een volledig wettelijk minimumloon pas op 23-jarige leeftijd. Voor 18- tot 20-jarigen gaat het wettelijk minimumjeugdloon omhoog. De wet is inmiddels in het Staatsblad geplaatst. Bij Koninklijk Besluit zal worden bepaald wanneer de wetswijzigingen in werking treden.

Het volledige wettelijk minimumloon bedraagt sinds 1 januari 2017 € 1.551,60 bruto per maand of € 358,05 per week.

Door de wetswijziging is ook een duidelijke grondslag gecreëerd voor de betaling en handhaving van het minimumloon over meerwerk. Daarnaast is de stukloonregeling aangepast om te voorkomen dat betaling op basis van stukloon leidt tot betaling beneden het minimumloon.

Lees meer

Aanpassing zwangerschaps- en bevallingsverlof meerlingen

  09-02-2017

Bij de Tweede Kamer is een wetsvoorstel in behandeling dat een uitbreiding van het kraamverlof voor de partner regelt. Via een nota van wijziging bij dit wetsvoorstel wordt een aanpassing in de regeling van het zwangerschaps- en bevallingsverlof bij meerlingen aangebracht. Deze regeling is per 1 april 2016 gewijzigd via de Wet Modernisering regelingen voor verlof en arbeidstijden. Sindsdien is het zwangerschapsverlof bij de zwangerschap van een meerling verlengd met vier weken tot een totaal van tien weken. Het zwangerschapsverlof gaat tien weken voor de beoogde datum van bevalling in. Het zwangerschapsverlof mag twee weken worden uitgesteld. Bij deze aanpassing is verzuimd om de verlenging van het bevallingsverlof bij vroeggeboorte aan te passen. Het bevallingsverlof wordt verlengd met het aantal dagen dat het zwangerschapsverlof korter heeft geduurd dan zes weken. Dat onderdeel van de regeling wordt nu aangepast, waardoor het totale verlof van rond de bevalling van een meerling uitkomt op twintig weken, ook in het geval van vroegtijdige bevalling.

De minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid heeft in zijn toelichting bij de nota van wijziging opgemerkt dat de aanpassing van de regeling van het meerlingenverlof niet met terugwerkende kracht zal worden aangepast. Ook komt er geen financiële compensatie. Het wetsvoorstel heeft onmiddellijke werking. Dat betekent dat ook vrouwen, die bij inwerkingtreding van de wet meerlingenverlof genieten, profiteren van de uitbreiding daarvan.

Lees meer

Box 3-heffing blijft voor 2014 overeind

  02-02-2017

Voor de heffing van inkomstenbelasting over de opbrengsten van sparen en beleggen (box 3) wordt een rendement verondersteld van 4% per jaar. Bij de invoering van de Wet IB 2001 heeft de minister van Financiën over dat forfaitaire rendement gezegd dat 4% het reële rendement is dat een particulier op langere termijn met risicovrij beleggen moet kunnen halen.

In een proefprocedure over het belastingjaar 2014 over de heffing in box 3 oordeelde de rechtbank Noord-Nederland dat de vraag, of het door de wetgever veronderstelde langjarige rendement van 4% niet meer haalbaar is, pas na verloop van een periode van tien jaar kan worden beantwoord. In die periode moet het rendement op risicoarme beleggingen lager zijn geweest dan 4%. De belanghebbende in deze procedure slaagde er niet in om te bewijzen dat eind 2013 al tien aaneengesloten jaren met onderrendement waren verstreken. Aan de beoordeling of belastingplichtigen door de belastingheffing in box 3 worden geconfronteerd met een buitensporig zware last kwam de rechtbank niet meer toe.

De rechtbank wees op een arrest van de Hoge Raad uit 2016, waarin is geoordeeld dat het forfaitaire stelsel van box 3 als zodanig toelaatbaar is.

Lees meer

Onzakelijke lening

  02-02-2017

Een lening is onzakelijk als de geldverstrekker een debiteurenrisico accepteert dat een buitenstaander niet zou hebben willen nemen. Daarvan is sprake als er geen rente kan worden vastgesteld die het verstrekken van de lening voor een onafhankelijke derde acceptabel zou hebben gemaakt. Aanvankelijk leek de onzakelijke lening zich alleen te kunnen voordoen tussen gelieerde partijen, zoals een moeder- en een dochtervennootschap of tussen een aandeelhouder en de vennootschap. Volgens een arrest van de Hoge Raad kan ook een lening tussen niet-gelieerde partijen onzakelijk zijn. Het gaat dan om gevallen waarin de vennootschap het debiteurenrisico heeft aanvaard om het belang van haar aandeelhouder te dienen.

Volgens de rechtbank was een lening die de bv van een vader verstrekte aan de bv van zijn zoon onzakelijk. De rechtbank vond dat de vader als mede-initiatiefnemer van een project van de bv van de zoon zijn bv de financiering had laten verstrekken om het project door te laten gaan. Om dat mogelijk te maken heeft de bv van vader een onzakelijk debiteurenrisico aanvaard. Als voorwaarde voor een bancaire financiering eiste de bank dat de familie ook een lening zou vertrekken aan de bv van de zoon in de vorm van een achtergestelde lening. Alle zekerheden gingen naar de bank. De door de bv van vader verstrekte lening was ook aflossingsvrij. Daarnaast was aflossing alleen toegestaan als werd voldaan aan door de bank gestelde voorwaarden. Mede vanwege de familieband tussen vader en zoon heeft de bv van vader de lening verstrekt aan de bv van zoon om het belang van vader te dienen, aldus de rechtbank. Gevolg van de kwalificatie als onzakelijke lening was dat de bv van vader de lening niet mocht afwaarderen ten laste van haar winst.

Lees meer

Oproep om papieren correspondentie van Belastingdienst

  02-02-2017

De Tweede Kamer heeft het kabinet gevraagd om de correspondentie van de Belastingdienst op papier te blijven versturen, zonder dat de gewenningsperiode gaat lopen. Tijdens de gewenningsperiode van twee jaar wordt correspondentie zowel digitaal als op papier verstuurd; daarna alleen nog digitaal. Het verzoek betreft onder meer navorderingsaanslagen, beslissingen op bezwaar, reacties op verzoeken om een voorlopige aanslag en teruggaven bij middeling. De Kamer wijst op het belang om eenvoudig en tijdig kennis te nemen van deze correspondentie. Voor deze correspondentie geldt namelijk een bezwaartermijn van zes weken. Na het verstrijken van de bezwaartermijn staat de beslissing vast en kan daartegen geen rechtsmiddel meer worden ingesteld.

Lees meer

Aanpak belastingontduiking

  02-02-2017

De staatssecretaris van Financiën heeft in een brief aan de Tweede Kamer een uiteenzetting gegeven van zijn plannen om belastingontduiking aan te pakken. Het gaat om maatregelen in internationaal verband en in nationaal verband.

Internationale maatregelen
Een belangrijke maatregel tegen belastingontduiking in internationaal verband is de invoering van de common reporting standard. Meer dan honderd landen gaan volgens één internationale standaard inlichtingen uitwisselen over buitenlandse rekeninghouders. Het gaat om banksaldi, rentegegevens en dividenden. Nederland begint vanaf 2017 met het automatisch uitwisselen van inlichtingen volgens deze standaard.
De EU-lidstaten hebben afgesproken dat zij een centraal register van uiteindelijk belanghebbenden zullen instellen. De lidstaten zijn verplicht om belastingdiensten toegang te verlenen tot de informatie in dat register en tot informatie die door financiële instellingen wordt verzameld in het kader van het cliëntenonderzoek.

Nationale maatregelen
De staatssecretaris stelt de volgende maatregelen op nationaal niveau voor.
1. Afschaffen van de inkeerregeling.
2. Aanpakken van aandelen aan toonder.
3. Aanpassen verschoningsrecht.
4. Openbaarmaking van vergrijpboeten aan deelnemers.
5. Constructiebestrijding in de invordering.

Inkeerregeling
De inkeerregeling geeft zwartspaarders de mogelijkheid om verzwegen vermogen alsnog aan te geven. Doen zij dat binnen twee jaar, dan wordt geen vergrijpboete opgelegd. Na twee jaar bedraagt de vergrijpboete 120% van de verschuldigde belasting. Mede vanwege de toegenomen internationale gegevensuitwisseling is de kans dat de Belastingdienst verzwegen vermogen op het spoor komt groter geworden. De staatssecretaris ziet daarin aanleiding om de inkeerregeling af te schaffen. Dat betekent dat ook bij het binnen twee jaar alsnog doen van een juiste aangifte of het alsnog verstrekken van informatie het normale boeteregime wordt toegepast. Het alsnog verstrekken van juiste en volledige inlichtingen blijft wel gelden als een strafverminderende omstandigheid.

Toonderaandelen
NV’s kunnen aandelen aan toonder uitgeven. Deze aandelen zijn niet op naam geregistreerd en zijn vrij verhandelbaar. Omdat aandeelhouders anoniem kunnen blijven kan dat leiden tot misbruik, belastingontduiking en witwassen.
Om mogelijk misbruik te voorkomen wil het kabinet dat toonderaandelen alleen in girale vorm kunnen bestaan. Net zoals voor beursgenoteerde toonderaandelen geldt, wordt inbewaargeving verplicht. Het Burgerlijk Wetboek zal worden gewijzigd zodat toonderaandelen uitsluitend nog giraal kunnen worden geleverd. Het kabinet wil binnenkort een concept wetsvoorstel voor internetconsultatie aanbieden.

Verschoningsrecht
Notarissen en advocaten hebben een wettelijk fiscaal verschoningsrecht. Zij hoeven daardoor niet te voldoen aan de informatieverplichtingen die betrekking hebben op de belastingheffing van derden. Daardoor kan het voorkomen dat fiscaal relevante feiten en transacties aan het oog van de Belastingdienst worden onttrokken. De staatssecretaris wil het verschoningsrecht voor notarissen en advocaten beperken tot bepaalde juridische werkzaamheden. Het is de bedoeling om een voorstel tot aanpassing van het fiscale verschoningsrecht nog dit jaar in consultatie te brengen.

Openbaarmaking vergrijpboeten
De staatssecretaris stelt voor om opgelegde vergrijpboetes aan juridische beroepsbeoefenaren openbaar te maken. Daarmee wil hij duidelijk maken dat het adviseren over en het invoeren van onaanvaardbare fiscale constructies niet wordt geaccepteerd. De maatregel moet de belastingplichtige helpen bij zijn keuze voor een advocaat, notaris of belastingadviseur.

Invordering
Het invorderingsrecht legt aan de Belastingdienst een aantal beperkingen op. Daarvan wordt geregeld misbruik gemaakt, waardoor de verschuldigde belasting niet kan worden geïnd. De staatssecretaris stelt drie maatregelen voor om dergelijk misbruik aan te pakken. Het gaat om een verruiming van de mogelijkheden voor de Belastingdienst tot aansprakelijkstelling en om het wegnemen van formele beperkingen waar de Belastingdienst bij de invordering tegenaan loopt.
De verruiming van de mogelijkheid tot aansprakelijkheidstelling betreft personen aan wie vermogen is geschonken of uitgedeeld. De aansprakelijkheid van erfgenamen moet worden uitgebreid met het bedrag van de schenkingen die de erflater aan hen heeft gedaan in de 180 dagen voor zijn overlijden. Verder wil de staatssecretaris dat alle begunstigden van een schenking of uitdeling uit het vermogen van een belastingschuldige, waardoor de Belastingdienst benadeeld wordt in zijn verhaalsmogelijkheden, aansprakelijk zijn tot het ontvangen bedrag.

De staatssecretaris wil de verplichte heropening van de vereffening van een ontbonden rechtspersoon afschaffen. Dat zou moeten gebeuren door de Belastingdienst voortaan een belastingaanslag van een vermoedelijk ontbonden rechtspersoon via een openbare aankondiging bekend te laten maken. Voor een aansprakelijkstelling volstaat een dergelijke openbare aankondiging.

De staatssecretaris wil de bestaande informatieplicht voor aansprakelijkgestelden uitbreiden naar potentieel aansprakelijken. Dat zijn personen die volgens de wet aansprakelijk zijn, maar die nog niet formeel aansprakelijk zijn gesteld. Het is de bedoeling dat deze invorderingsmaatregelen in 2017 ter consultatie worden voorgelegd.

Lees meer

Aanpassing voorstel Wet uitfasering pensioen in eigen beheer

  26-01-2017

Net voor het moment waarop de Eerste Kamer zou stemmen over het wetsvoorstel Wet uitfasering pensioen in eigen beheer heeft de staatssecretaris van Financiën gevraagd de stemming uit te stellen. De reden daarvoor was de angst dat op het moment van afkoop of omzetting in een oudedagsverplichting van het pensioen de toegezegde toekomstige indexatie van de pensioenuitkeringen in één keer ten laste van de winst zou worden gebracht. Dat zou een budgettaire tegenvaller tot gevolg kunnen hebben.

Nader onderzoek leidt tot de conclusie dat het wetsvoorstel de aftrek van de lasten van de toekomstige indexatie op het moment van afkoop of omzetting uitsluit. De gevreesde budgettaire derving kan zich dus niet voordoen. De in het wetsvoorstel opgenomen aftrekbeperking wordt enigszins versoepeld. In de novelle wordt namelijk een voorwaardelijke mogelijkheid geboden om de lasten van toekomstige indexatie van de pensioenaanspraken in aftrek te brengen.

Indexatie van pensioenen
Pensioenaanspraken kunnen voor de pensioeningangsdatum worden verhoogd in verband met de stijging van lonen of prijzen. Ook na de pensioeningangsdatum kunnen pensioenen worden verhoogd in verband met de na de ingangsdatum gestegen lonen of prijzen. Bij de waardering van een in eigen beheer gehouden pensioenverplichting wordt geen rekening gehouden met toekomstige indexaties. De kosten en lasten die samenhangen met de indexatie zijn pas aftrekbaar wanneer de loon- of prijsontwikkeling zich voordoet. In een aantal gevallen is met toekomstige lasten van indexatie rekening gehouden door de vorming van een actiefpost op de balans. Vooruitlopend op de indexatie is de pensioenverplichting voor een hoger bedrag als passiefpost opgenomen. Normaal bestaat voor de vorming van een dergelijke actiefpost geen aanleiding. Voor de gevallen waarin die actiefpost al bestaat wordt de mogelijkheid van afwaardering ten laste van de winst getroffen.

Actiefpost toekomstige indexering
In de novelle wordt onderscheid gemaakt tussen de situatie van fiscaal gefaciliteerde afkoop en van omzetting van de pensioenverplichting in een oudedagsverplichting. Bij afkoop mag de vrijval van geactiveerde kosten en lasten voor toekomstige indexatie in één keer ten laste van de winst worden gebracht. Bij omzetting in een oudedagsverplichting gebeurt dat in gelijke jaarlijkse delen. Het aantal delen is gelijk aan het verschil tussen 87 en de leeftijd op het omzettingstijdstip. De staatssecretaris rechtvaardigt het onderscheid tussen afkoop en omzetting door te wijzen op het verdwijnen van de administratieve verplichtingen bij afkoop. De staatssecretaris vindt het niet gewenst om een administratieve last in stand te houden voor de actiefpost voor de toekomstige indexatie.

Om te voorkomen dat anderen van deze regeling profiteren door de pensioenverplichting te verhogen en een corresponderende actiefpost voor de toekomstige indexatielasten op te nemen, geldt de in de novelle opgenomen tegemoetkoming alleen als de actiefpost al in een voor Prinsjesdag 2016 ingediende aangifte vennootschapsbelasting was opgenomen.

Novelle
Omdat wijzigingen worden aangebracht in een al door de Tweede Kamer aangenomen wetsvoorstel, heeft de staatssecretaris een novelle ingediend. Die moet eerst door de Tweede Kamer worden aangenomen voordat het gewijzigde wetsvoorstel door de Eerste Kamer behandeld kan worden. De invoering is daardoor vertraagd. Naar verwachting gaat het wetsvoorstel op zijn vroegst per 1 april 2017 in.

Lees meer

Bestelauto’s bleven na werktijd op bedrijfsterrein achter

  26-01-2017

De bijtelling bij het loon voor het privégebruik van een auto van de zaak geldt niet alleen voor een personenauto, maar ook voor een bestelauto van de zaak. De wet gaat uit van de veronderstelling dat een auto die zakelijk ter beschikking staat, ook voor privégebruik ter beschikking staat. Het is vervolgens aan de werknemer om te bewijzen dat op jaarbasis niet meer dan 500 km privé wordt gereden met de auto. Zonder dat bewijs moet bijtelling plaatsvinden.

Voor een bestelauto, die buiten de werktijd niet gebruikt kan of mag worden, hoeft geen bijtelling plaats te vinden. Bewijs dat niet meer dan 500 km privé wordt gereden met de bestelauto hoeft in dat geval niet geleverd te worden. Het verbod moet schriftelijk zijn vastgelegd. De werkgever moet deze vastlegging bij de loonadministratie bewaren en toezicht houden op naleving van het verbod. Ten slotte moet de werkgever overtreding van het verbod op privégebruik bestraffen.

Hof Amsterdam negeerde in een procedure de stelling van een werkgever dat de bestelauto’s na werktijd niet door zijn werknemers konden worden gebruikt omdat de auto’s op het bedrijfsterrein achterbleven en de sleutels werden ingeleverd. Zonder op deze stelling in te gaan liet het hof de door de inspecteur opgelegde naheffingsaanslag voor de bijtelling van het privégebruik in stand. De Hoge Raad heeft de uitspraak van het hof vernietigd en de zaak verwezen naar Hof Den Haag. Dat hof moet onderzoeken of de bestelauto's inderdaad op het bedrijfsterrein achterbleven en de sleutels werden ingeleverd. Als dat het geval is, heeft de inspecteur ten onrechte een naheffingsaanslag opgelegd.

Lees meer

Vaststellingsovereenkomst innovatiebox

  26-01-2017

De innovatiebox is een bijzondere regeling in de vennootschapsbelasting voor zelf ontwikkelde immateriële activa, waarvoor een S&O-verklaring is afgegeven. De opbrengsten deze immateriële activa zijn per saldo belast tegen een laag tarief van 5%. Niet alle opbrengsten zijn zondermeer toe te rekenen aan de innovatiebox. Voor de bepaling daarvan wordt gebruikt gemaakt van verschillende toerekeningsmethoden. Om discussie over de omvang van de aan de innovatiebox toe te rekenen voordelen te voorkomen of te beëindigen, zijn veel belastingplichtigen met de Belastingdienst een vaststellingsovereenkomst aangegaan.

Deze vaststellingovereenkomsten bevatten een ontbindende voorwaarde die in werking treedt bij relevante wetswijzigingen. De in het Belastingplan 2017 opgenomen aanpassingen van de innovatiebox zijn aanleiding om vaststellingsovereenkomsten te ontbinden. Voor kleinere belastingplichtigen zal de innovatiebox in veel gevallen ook van toepassing zijn voor immateriële activa die na 30 juni 2016 zijn voortgebracht, mits aan de overige wettelijke vereisten wordt voldaan. De staatssecretaris van Financiën keurt goed dat de vaststellingsovereenkomsten van kleinere belastingplichtigen in boekjaren die aanvangen op of na 1 januari 2017 van kracht blijven. In de bijlage bij het besluit is een modelverklaring opgenomen, waarmee een belastingplichtige kan verklaren dat aan de voorwaarden wordt voldaan, waardoor de vaststellingsovereenkomst zijn geldigheid behoudt. Deze verklaring moet uiterlijk bij het indienen van de aangifte vennootschapsbelasting 2017 worden ingediend.

Lees meer

Verkopende aandeelhouder deed onvoldoende onderzoek naar koper

  19-01-2017

De Invorderingswet kent een aansprakelijkheid voor aandeelhouders van een bv of nv voor door de vennootschap verschuldigde vennootschapsbelasting na verkoop van de aandelen. Voor die aansprakelijkheid moet aan een aantal voorwaarden zijn voldaan. Het aandelenbelang moet ten minste één derde gedeelte van het geplaatste kapitaal omvatten en de bezittingen van de bv moeten in belangrijke mate bestaan uit beleggingen. Verder moet het vermogen van de bv door andere oorzaken dan de normale bedrijfsvoering zijn verminderd in een periode van vijf jaar voor tot drie jaar na het jaar van de verkoop van de aandelen. De aansprakelijkheid betreft de vennootschapsbelasting die betrekking heeft op de ten tijde van de vervreemding van de aandelen aanwezige stille en fiscale reserves.

De aandeelhouder, die kan bewijzen dat het niet aan hem is te wijten dat het vermogen van de vennootschap ontoereikend is om de vennootschapsbelasting te betalen, is niet aansprakelijk. Om dat bewijs te kunnen leveren moet de verkopende aandeelhouder een gedegen onderzoek doen naar de financiële gegoedheid van de koper en ervoor zorgen dat de vennootschapsbelastingclaim kan worden betaald. Dat kan door een bankgarantie te vragen of door een bedrag te storten op de derdengeldrekening van de notaris die betrokken is bij de overdracht. In de praktijk gaat het op die punten nogal eens mis. Ter illustratie de volgende casus.

Ter onderbouwing van de stelling dat de vermogensvermindering van een verkochte bv niet aan haar te wijten was, verwees de verkopende aandeelhouder naar de onafhankelijke deskundigen die zij had geraadpleegd bij deze transactie. Er was onderzoek gedaan naar de koper. De akte van overdracht bevatte enkele garanties van de koper en de liquide middelen van de verkochte bv, in totaal € 847.000, waren op de derdengeldrekening van de notaris gestort. Het hof vond dit niet voldoende om de aansprakelijkheid op te heffen. De verkoper wist of had moeten weten dat de koper door buiten de normale bedrijfsvoering liggende handelingen verhaal door de ontvanger onmogelijk zou maken. Er was een afspraak gemaakt dat de helft van de liquide middelen van de bv aan de verkoper zou worden betaald en dus aan de bv zou worden onthouden. De financiële gegevens van de koper waren pas na de overdracht aan de verkoper verstrekt. Een goed beeld van de financiële situatie van de koper ontbrak ten tijde van de verkoop en de overdracht van de aandelen. Garanties ten behoeve van de ontvanger waren niet verstrekt. De kopende partij had in een notitie uiteengezet wat het doel was van de overname en hoe de constructie werkte. De verkoper had dat voorstel gevolgd zonder onderzoek te doen naar onderliggende contracten en financiële gegevens. De verkoper heeft haar zorgplicht als aandeelhouder van de bv verzaakt.

Lees meer

Overdracht aandelen aan bv voor te lage waarde

  19-01-2017

De houder van een aanmerkelijk belang in twee Nederlandse bv’s kocht in december 2004 voor 20%-belangen in twee Duitse vennootschappen voor ieder € 5.000. Kort daarna kochten de Duitse vennootschappen onroerende zaken voor een bedrag van € 21 miljoen. De aandeelhouders van de Duitse vennootschappen besloten in 2005 tot verkoop van de aandelen voor een bedrag van ten minste € 35 miljoen. In juni 2005 werd een koper gevonden die bereid was € 53 miljoen voor de aandelen in beide Duitse vennootschappen te betalen. De aanmerkelijkbelanghouder verkocht voor die transactie zijn aandelen in de Duitse vennootschappen aan een van zijn Nederlandse bv’s voor de nominale waarde. In 2016 droeg deze bv de aandelen in de Duitse vennootschappen over. De daarbij behaalde winst werd verantwoord onder de deelnemingsvrijstelling.

Bij een boekenonderzoek bij de bv bleek dat de aanmerkelijkbelanghouder de aandelen in de Duitse vennootschappen eerst in privé had en vervolgens aan zijn bv had overgedragen. Ten tijde van deze overdracht was duidelijk dat de aandelen een veel hogere waarde hadden dan de nominale waarde. De Belastingdienst merkte de waardestijging van de aandelen in de Duitse vennootschappen aan als winst uit aanmerkelijk belang voor de aanmerkelijkbelanghouder. Dat gebeurde in de vorm van een navorderingsaanslag inkomstenbelasting over 2005. De reguliere navorderingstermijn van vijf jaar was inmiddels verstreken. Omdat de winst uit aanmerkelijk belang betrekking had op de verkoop van onroerende zaken in Duitsland mocht de Belastingdienst de verlengde navorderingstermijn van maximaal 12 jaar toepassen.

Tegelijk met de navorderingsaanslag legde de Belastingdienst een vergrijpboete op van 50% van de nagevorderde belasting. De reden hiervoor was dat de aanmerkelijkbelanghouder bij het doen van aangifte een groot bedrag aan inkomsten bewust buiten het zicht van de Belastingdienst heeft willen houden. Ten tijde van de verkoop van de aandelen in de Duitse vennootschappen aan zijn bv wist de aanmerkelijkbelanghouder dat de waarde daarvan veel hoger was dan de nominale waarde.

Lees meer

Proefprocedure box 3

  19-01-2017

Volgens artikel 1 van het Eerste Protocol (EP) bij het Europese Verdrag ter bescherming van de Rechten van de Mens (EVRM) heeft iedereen recht op het ongestoord genot van zijn eigendom. Inbreuk op dat recht is toegestaan in het algemeen belang of om de betaling van belastingen of andere heffingen of boeten te verzekeren.

Inzet van een proefprocedure voor de rechtbank was of de forfaitaire rendementsheffing van box 3 voor het jaar 2013 in strijd is met artikel 1 EP EVRM. De reden daarvoor zou kunnen zijn dat het forfaitaire rendement te veel afwijkt van het reële en het nominale rendement op spaartegoeden.

De Hoge Raad heeft eerder geoordeeld dat de forfaitaire rendementsheffing voor de jaren 2010 en 2011 niet in strijd is met artikel 1 EP EVRM. De rechtbank ziet geen aanleiding om voor het jaar 2013 anders te oordelen. De wetgever heeft geen onderscheid gemaakt tussen verschillende vormen van bezittingen. Volgens de rechtbank is het dan niet juist om bij de beoordeling van de box 3-regelgeving alleen te letten op het rendement van één soort bezitting. De wetgever heeft bij de vaststelling van het forfaitaire rendement op 4% gedacht aan het reële rendement op staatsobligaties. De rechtbank vindt de aangevoerde gegevens onvoldoende om te kunnen oordelen dat het voor een lange reeks van jaren veronderstelde haalbare rendement van 4% voor particuliere beleggers niet meer haalbaar is. Zelfs al zou ervan worden uitgegaan dat in 2013 voor het eerst sprake zou zijn geweest van de onhaalbaarheid van dat rendement, valt het binnen de ruime beoordelingsmarge van de wetgever om niet onmiddellijk de box 3-heffing te wijzigen.

Lees meer

Liquidatie-uitkering bv aan in België wonende aandeelhouder hier belast

  19-01-2017

Een procedure voor de rechtbank betrof de vraag of Nederland volgens het belastingverdrag met België belasting mocht heffen over de liquidatie-uitkering die een bv deed aan haar in België wonende aandeelhouder. Indien Nederland inderdaad heffingsbevoegd is, luidde de vervolgvraag of de inspecteur een naheffingsaanslag dividendbelasting aan de bv had moeten opleggen in plaats van een aanslag inkomstenbelasting op te leggen aan de aandeelhouder.

Volgens de rechtbank had de inspecteur ervoor kunnen kiezen om een naheffingsaanslag dividendbelasting aan de bv op te leggen, maar hij was daar niet toe verplicht. Alleen indien de inspecteur door zijn keuze handelt in strijd met een van de beginselen van behoorlijk bestuur kan dat anders zijn. De dividendbelasting is net als de loonbelasting een voorheffing op de inkomstenbelasting. Door de liquidatie-uitkering direct bij de aandeelhouder als belastbaar inkomen uit aanmerkelijk belang in aanmerking te nemen heeft de inspecteur niet onzorgvuldig of in strijd met enig beginsel van behoorlijk bestuur gehandeld.

De Wet IB 2001 merkt het betaalbaar stellen van liquidatie-uitkeringen aan als een vervreemding van aandelen. Voor buitenlands belastingplichtigen is het inkomen uit aanmerkelijk belang in een in Nederland gevestigde vennootschap belastbaar. Naar Nederlands recht is het voordeel dat de aandeelhouder heeft genoten uit de betaalbaarstelling van de liquidatie-uitkering uit de bv belastbaar omdat de bv in Nederland was gevestigd. Volgens het verdrag met België is Nederland bevoegd om 15% belasting te heffen over dividenden die een in België wonende persoon van een Nederlandse bv ontvangt. De heffing over het voordeel bij de verkoop van aandelen is toegewezen aan het woonland. Uit de tekst van het verdrag wordt niet duidelijk welk artikel moet worden toegepast op liquidatie-uitkeringen. In een protocol bij het verdrag wordt uitgelegd dat inkomsten die worden genoten bij de liquidatie van een vennootschap onder het dividendartikel van het verdrag vallen. Nederland is bevoegd om maximaal 15% belasting te heffen over de liquidatie-uitkering.

Lees meer

Gebruikelijk loon in 2017

  12-01-2017

De gebruikelijkloonregeling geldt voor werknemers die een aanmerkelijk belang hebben in de vennootschap waarvoor zij werken. In de regel gaat het om de dga en zijn partner. Het loon van een dga moet ten minste gelijk zijn aan het hoogste van de volgende bedragen:
1. 75% van het loon uit de meest vergelijkbare dienstbetrekking;
2. het hoogste loon van de overige werknemers van de bv;
3. € 45.000 (2016: € 44.000).

De bv heeft de mogelijkheid om een lager loon aannemelijk te maken dan het op grond van de hoofdregel vastgestelde bedrag. Zolang het loon niet lager wordt dan € 45.000 mag rekening worden gehouden met een afwijking ten opzichte van het loon uit de meest vergelijkbare dienstbetrekking van 25%.

Voor dga's van een innovatieve start-up geldt vanaf 1 januari 2017 een minder streng regime. Voor hen geldt het minimumloon als gebruikelijk loon of het lagere loon uit een vergelijkbare dienstbetrekking. Er is sprake van een innovatieve start-up als:
- de bv beschikt over een S&O verklaring, die voor het gehele of een gedeelte van het jaar geldig is;
- de bv heeft recht heeft op het verhoogde S&O-starterspercentage.
- er geen sprake is van verboden staatssteun.

Lees meer

Goedkeuring schulden en vruchtgebruik in box 3

  12-01-2017

De staatssecretaris van Financiën heeft een besluit van 31 oktober 2016 over box 3 van de inkomstenbelasting gewijzigd. De wijziging betreft een goedkeuring voor de toerekening van schulden die deel uitmaken van een algemeenheid van goederen waarop door erfrecht een vruchtgebruik rust. De goedkeuring heeft betrekking op de jaren 2012 tot en met 2016.

Wanneer door het erfrecht de langstlevende ouder een vruchtgebruik heeft gekregen van de nalatenschap en de erfgenamen de blote eigendom, wordt de volledige waarde van de goederen in aanmerking genomen bij de vruchtgebruiker. De waarde van de bloot eigendom is geen bezitting voor box 3 van de inkomstenbelasting. De inkomsten uit het nagelaten vermogen worden op deze manier belast bij degene die over de inkomsten kan beschikken. Tot een nalatenschap, waarop een vruchtgebruik rust, kunnen ook schulden behoren. Met ingang van 2017 worden de goederen en de schulden voor box 3 gelijk behandeld. Dit betekent dat ook de volledige waarde van de schulden bij de vruchtgebruiker in aanmerking wordt genomen in box 3. Door de goedkeuring van de staatssecretaris geldt dit ook voor de jaren 2012 tot en met 2016. De vruchtgebruiker en de blote eigenaar(s) moeten een gezamenlijk schriftelijk verzoek om toepassing van deze goedkeuring indienen bij de inspecteur van de vruchtgebruiker. Dat verzoek geldt dan voor het gehele tijdvak van 2012 tot en met 2016.

Lees meer

Bedragen kindregelingen

  05-01-2017

Kinderbijslag
Vanaf 1 januari 2017 gelden de volgende bedragen per kind per kwartaal.
0 t/m 5 jaar € 198,38;
6 t/m 11 jaar € 240,89;
12 t/m 17 jaar € 283,40.

Kinderopvang
De maximum uurprijzen voor dagopvang, buitenschoolse opvang en gastouderopvang voor 2017 zijn als volgt.

  • Dagopvang € 7,18;
  • Buitenschoolse opvang € 6,69;
  • Gastouderopvang € 5,75.

Kindgebonden budget
Voor het kindgebonden budget gelden de volgende bedragen op jaarbasis.

Aantal kinderen Inkomen tot € 20.108
 1 € 1.142
 2 € 2.040
 3 € 2.325
 4 € 2.610

Voor ieder volgend kind wordt het kindgebonden budget verhoogd met € 285. Er geldt een verhoging van het kindgebonden budget voor 12- tot 15-jarigen van € 234. De verhoging voor 16- en 17-jarigen is € 417. Voor een alleenstaande ouder wordt het kindgebonden budget verhoogd met € 3.076. Het recht op kindgebonden budget vervalt als het vermogen in box 3 op 1 januari groter is dan € 107.752 voor een alleenstaande en € 132.752 voor partners. Bij een inkomen hoger dan € 20.108 daalt het kindgebonden budget met 6,75% van het meerdere inkomen.

Lees meer

Wijzigingen loonbelasting

  05-01-2017

Werkkostenregeling
De vrije ruimte voor onbelaste vergoedingen en verstrekkingen aan werknemers bedraagt ongewijzigd 1,2% van de fiscale loonsom. Voor een maaltijd in een bedrijfskantine geldt als normbedrag € 3,30 per maaltijd. Voor huisvesting en inwoning geldt als normbedrag € 5,50 per dag.

Privégebruik auto
Werknemers met een auto van de zaak, die zij ook privé mogen gebruiken, worden geconfronteerd met een bijtelling bij hun salaris. De bijtelling is een percentage van de cataloguswaarde van de auto inclusief omzetbelasting. Het percentage van de bijtelling is afhankelijk van de CO2-uitstoot van de auto. Bepalend voor de hoogte van de bijtelling is de datum van eerste toelating op de weg van de auto.

Voor in 2017 nieuw toegelaten auto’s geldt alleen een verlaagde bijtelling van 4% wanneer zij geen C02-uitstoot hebben. In alle andere gevallen bedraagt de bijtelling 22%. In 2016 golden nog verschillende verlaagde percentages. De percentages en uitstootgrenzen gelden gedurende maximaal 60 maanden. Het is dus niet zo dat ieder jaar andere percentages voor dezelfde auto gelden. Het percentage van 22 gaat niet gelden voor auto’s die voor 2017 onder de 25%-bijtelling vielen.

Lees meer

Tarieven en heffingskortingen

  05-01-2017

Tarieven box 1

Inkomen van tot  Jonger dan AOW-leeftijd AOW-gerechtigd
 € 0  € 19.982 36,55% 18,65%
 € 19.982  € 33.791 40,8% 22,9%
 € 33.791  € 67.072 40,8% 40,8%
 € 67.072 52% 52%

Voor mensen die de AOW-leeftijd hebben bereikt geldt in de eerste twee schijven een lager tarief omdat zij geen AOW-premie hoeven te betalen.

Tarief box 2
Het tarief in box 2 bedraagt 25%.

Tarief box 3
Het belastingtarief in box 3 bedraagt 30% over een fictief rendement. Dat fictieve rendement wordt berekend over het vermogen in box 3 verminderd met de vrijstelling van € 25.000 per persoon. Met ingang van 2017 zijn er drie rendementsschijven. Voor de eerste schijf tot een bedrag van € 100.000 geldt een fictief rendement van 2,87%. Voor de tweede schijf van € 100.000 tot € 1.000.000 geldt een fictief rendement van 4,6%. Voor het rendement boven een vermogen in box 3 van € 1.000.000 geldt een fictief rendement van 5,39%.

Heffingskortingen
De algemene heffingskorting bedraagt maximaal € 2.254. Vanaf een inkomen van € 19.982 daalt de algemene heffingskorting tot nihil  bij een inkomen van € 67.068. Voor mensen die de AOW-gerechtigde leeftijd hebben bereikt bedraagt de algemene heffingskorting maximaal € 1.151.

De arbeidskorting bedraagt maximaal € 3.223. Vanaf een inkomen van € 32.444 daalt de arbeidskorting tot nihil bij een inkomen van € 121.972.
De werkbonus bedraagt maximaal € 1.119. De minimale leeftijd voor de werkbonus is verhoogd van 62 naar 63 jaar.

De inkomensafhankelijke combinatiekorting bedraagt minimaal € 1.043. Vanaf een arbeidsinkomen van € 4.895 loopt deze korting op tot maximaal € 2.778 bij een inkomen van € 33.065. Voor mensen die de AOW-gerechtigde leeftijd hebben bereikt bedraagt deze heffingskorting maximaal € 1.419.

De levensloopverlofkorting is van toepassing bij opnamen uit het levenslooptegoed en bedraagt maximaal € 210 voor ieder jaar waarin bedragen zijn gestort in de levensloopregeling.

De jonggehandicaptenkorting bedraagt € 722.

De ouderenkorting bedraagt € 1.292 tot een inkomen van € 36.057. Daarboven bedraagt de ouderenkorting € 71.

Lees meer

Wijzigingen inkomstenbelasting

  05-01-2017

Eigen woning
Het eigenwoningforfait voor woningen met een WOZ-waarde tussen € 75.000 en € 1.060.000 bedraagt 0,75% van de waarde. Het verhoogde eigenwoningforfait voor het deel van de WOZ-waarde boven € 1.060.000 bedraagt 2,35%.

Aftrek van betaalde hypotheekrente in de vierde tariefschijf gaat tegen 50% in plaats van tegen het tabeltarief van 52%. Het percentage waartegen aftrek in de vierde tariefschijf wordt verleend daalt ieder jaar met 0,5%.

De rente in een uitkering uit een kapitaalverzekering eigen woning is onbelast als de uitkering niet meer bedraagt dan € 36.900 na ten minste 15 jaar premiebetaling. De vrijstelling loopt op tot € 162.500 bij 20 jaar of meer premiebetaling. De vrijstelling voor de kapitaalverzekering eigen woning geldt alleen voor op 1 januari 2013 bestaande gevallen.

De maximale vrijstelling voor kamerverhuur bedraagt € 5.069.

Premies lijfrenteverzekeringen
Betaalde premies voor lijfrenteverzekeringen zijn onder voorwaarden aftrekbaar. Voor iemand die de AOW-leeftijd nog niet heeft bereikt bedraagt de aftrekbare premie, dat is de jaarruimte, 13,8% van de premiegrondslag. De jaarruimte is maximaal € 12.598.
De jaarruimte wordt verminderd met de opbouw van pensioenaanspraken en dotaties aan de oudedagsreserve.

Wie in de voorgaande zeven jaar de jaarruimte niet of niet geheel heeft benut, kan gebruik maken van een aanvullende aftrek. Deze reserveringsruimte bedraagt 17% van de premiegrondslag in het jaar van aftrek. Er geldt een maximum van € 7.110. Voor wie aan het begin van het kalenderjaar maximaal tien jaar jonger is dan de AOW-leeftijd wordt dit maximum verhoogd tot € 14.039.

De premiegrondslag is het totaal van de winst uit onderneming, het resultaat uit werkzaamheden en het inkomen uit arbeid in het vorige jaar, met een maximum van € 103.317 en verminderd met de franchise ter grootte van € 12.032.

Voor tijdelijke oudedagslijfrenten mag het bedrag van de jaarlijkse uitkering niet hoger zijn dan € 21.312. Premies voor dergelijke lijfrenten zijn alleen aftrekbaar als de uitkeringen niet eerder ingaan dan in het jaar waarin men de AOW-leeftijd bereikt.

Lees meer

Investeringsaftrek 2017

  05-01-2017

De regeling van de investeringsaftrek is bedoeld om investeringen door ondernemers in bedrijfsmiddelen te bevorderen. Er zijn drie vormen van investeringsaftrek: kleinschaligheidsinvesteringsaftrek (KIA), energie-investeringsaftrek (EIA) en milieu-investeringsaftrek (MIA).

KIA
Voor investeringen in bedrijfsmiddelen kan KIA worden genoten indien het totale investeringsbedrag in 2017 ligt tussen € 2.300 en € 312.176. Er geldt een minimumbedrag per bedrijfsmiddel van € 450. De maximale KIA bedraagt € 15.734. Dit bedrag wordt bereikt bij een investeringsbedrag tussen € 56.192 en € 104.059. Bij een hoger investeringsbedrag dan € 104.059 daalt de KIA met 7,56% van het meerdere, totdat deze nihil bedraagt bij een investeringsbedrag van € 312.176.

EIA
Het tarief van de EIA voor investeringen in energiebesparende bedrijfsmiddelen bedraagt in 2017 55,5% van het investeringsbedrag. De lijst met bedrijfsmiddelen die in aanmerking komen voor EIA is aangepast. Het maximale investeringsbedrag waarover aftrek wordt verleend bedraagt € 120 miljoen. Voor het recht op EIA moet het investeringsbedrag per bedrijfsmiddel ten minste € 2.500 bedragen.

MIA
De tarieven van de MIA voor investeringen in bedrijfsmiddelen die zijn aangewezen als milieu-investeringen zijn niet gewijzigd. De lijst met bedrijfsmiddelen die in aanmerking komen voor MIA is wel aangepast.
De MIA bedraagt voor investeringen:
• in categorie I 36,0%;
• in categorie II 27,0%;
• in categorie III 13,5%.
Voor het recht op MIA moet het investeringsbedrag per bedrijfsmiddel ten minste € 2.500 bedragen. Er geldt een maximumbedrag van € 25 miljoen waarover MIA wordt verleend.

Vamil
In aanvulling op de MIA geldt voor milieu-investeringen de Vamilregeling. Die regeling staat vervroegde afschrijving toe op milieu-investeringen tot 75% van de aanschafwaarde. De resterende 25% moet regulier worden afgeschreven.

Een overzicht van de voor EIA en MIA/Vamil kwalificerende bedrijfsmiddelen is te vinden op de website van de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland: www.rvo.nl.

Lees meer

Oudedagsreserve en ondernemersaftrek

  05-01-2017

Oudedagsreserve
De toevoeging aan de oudedagsreserve voor een ondernemer bedraagt in 2017 9,8% van de winst, maar maximaal € 8.946. De toevoeging wordt verminderd met ten laste van de winst gekomen pensioenpremies.

Ondernemersaftrek
Een ondernemer voldoet aan het urencriterium als hij op jaarbasis ten minste 1.225 uur en de helft van zijn arbeidstijd aan zijn onderneming besteedt. Door te voldoen aan het urencriterium heeft de ondernemer recht op ondernemersaftrek. De ondernemersaftrek omvat:

  • de zelfstandigenaftrek;
  • de aftrek voor S&O-werk;
  • de meewerkaftrek;
  • de startersaftrek arbeidsongeschikten;
  • de stakingsaftrek.

Alleen de bedragen van de aftrek S&O-werk zijn gewijzigd. Deze aftrek bedraagt in 2017 € 12.522. Wie in een van de vijf voorafgaande kalenderjaren geen ondernemer was en in deze periode niet meer dan tweemaal de S&O-aftrek heeft toegepast, heeft recht op een verhoogde aftrek S&O-werk. De verhoging bedraagt € 6.264.

Lees meer

Lage-inkomensvoordeel

  05-01-2017

Werkgevers die in 2017 werknemers in dienst hebben met een laag loon hebben recht op een tegemoetkoming in de loonkosten. De tegemoetkoming over 2017 wordt automatisch berekend aan de hand van de loonaangifte over 2017 en in 2018 door het UWV uitbetaald. De tegemoetkoming wordt verleend voor werknemers met een gemiddeld uurloon tussen € 9,54 en € 11,92. Zij moeten in 2017 ten minste 1.248 uren verloond worden en mogen de AOW-gerechtigde leeftijd nog niet hebben bereikt. Het uurloon wordt berekend door het jaarloon te delen door het aantal verloonde uren.

Voor werknemers met een uurloon tussen € 9,54 en € 10,49 bedraagt de tegemoetkoming € 1,01 per uur, tot een maximum van € 2.000 per werknemer per jaar. Ligt het uurloon tussen € 10,50 en € 11,92 dan bedraagt de tegemoetkoming € 0,51 per uur, tot maximaal € 1.000 per werknemer per jaar.

Lees meer

Pensioen in eigen beheer

  05-01-2017

De pensioenregeling van een werknemer moet zijn ondergebracht bij een pensioenfonds of bij een levensverzekeringsmaatschappij. Anders dan voor reguliere werknemers bestaat voor een dga  (nog) de mogelijkheid om zijn pensioenvoorziening door de bv in eigen beheer te laten opbouwen. Bij de Eerste Kamer ligt een wetsvoorstel dat de opbouw van pensioen in eigen beheer afschaft per 1 januari 2017. De stemming over dit wetsvoorstel is op het laatste moment uitgesteld omdat het mogelijk ongewenst gedrag in de hand werkt. Maatregelen om dat te verhinderen zijn in voorbereiding.

Uitgangspunt van het wetsvoorstel is een fiscaal geruisloze verlaging van de pensioenvoorziening tot het niveau van de waarde op de fiscale balans van de bv. Daarna kan het pensioen worden afgekocht voor de fiscale waarde. Bij deze afkoop wordt loonheffing geheven over een deel van de afkoopsom en wordt geen revisierente berekend. Zodra meer bekend is over aanpassingen en/of uitbreidingen van het wetsvoorstel zullen wij u daarover informeren.

Lees meer

Onderzoek naar samenvoeging MIA en Vamil

  05-01-2017

Met enige vertraging heeft de staatssecretaris van Financiën een rapport van een onderzoek naar het samenvoegen van de milieu-investeringsaftrek (MIA) en de willekeurige afschrijving milieu-investeringen (Vamil) naar de Tweede Kamer gestuurd. Een eerdere evaluatie uit 2013 toonde aan dat MIA en Vamil effectieve instrumenten zijn. Bij die evaluatie is geconstateerd dat MIA en Vamil qua aard van investeringen en qua gebruikers naar elkaar toe zijn gegroeid. Dat is de aanleiding geweest voor het onderzoek naar het samenvoegen van beide regelingen om na te gaan of dat tot een efficiencyverbetering zou kunnen leiden. Dat blijkt niet het geval te zijn.
Onderzocht zijn de gevolgen van het:

  • omzetten van de Vamil in de MIA;
  • omzetten van de MIA in de Vamil;
  • verkleinen van de Milieulijst;
  • vervangen van beide regelingen door een subsidievariant.

Gezien de uitkomsten van het onderzoek stelt de staatssecretaris voor om op dit moment geen wijzigingen aan te brengen in beide regelingen.

Lees meer

Belastingplan 2017 aangenomen

  22-12-2016

De Eerste Kamer heeft de wetsvoorstellen Belastingplan 2017 aangenomen. Het gaat om het eigenlijke Belastingplan 2017 en de wetvoorstellen Overige fiscale maatregelen 2017 (nummer 34.553), Fiscale vereenvoudigingswet 2017 (nummer 34.554), Wet uitwisseling inlichtingen over rulings (nummer 34.527) en Wet tijdelijk verlaagd tarief laadpalen met een zelfstandige aansluiting (nummer 34.545).

Bij de behandeling van de wetsvoorstellen zijn enkele moties ingediend. De Eerste Kamer heeft een motie aangenomen waarin het kabinet wordt opgeroepen om in het Belastingplan 2018 te regelen dat de afbouw van de hoge naar lage ouderenkorting geleidelijk gaat verlopen in plaats van de huidige abrupte overgang. Een motie om de vrijstelling in box 3 per 1 januari 2017 te verdubbelen door het indienen van een spoedwet is aangehouden.

Lees meer

Formaliseren telefonische intrekking bezwaar

  22-12-2016

Vanaf 11 november 2009 biedt de Belastingdienst de mogelijkheid om telefonisch bezwaar te maken. Ook heeft de Belastingdienst het telefonisch intrekken van een bezwaarschrift sinds die datum geaccepteerd. De Algemene wet bestuursrecht (Awb) schrijft voor dat een bezwaarschrift in beginsel schriftelijk wordt ingetrokken. Mondelinge intrekking is alleen mogelijk tijdens het horen van de indiener van het bezwaarschrift. Telefonisch contact tussen de bezwaarmaker en de Belastingdienst is volgens jurisprudentie niet het horen zoals dat in de Awb is bedoeld. Ook de schriftelijke bevestiging door de Belastingdienst van een mondelinge intrekking is niet voldoende om de intrekking te formaliseren. Daarom moet sinds oktober 2016 de mondelinge intrekking van een bezwaarschrift altijd schriftelijk worden bevestigd door de bezwaarmaker.

Omdat de afhandeling van uitsluitend mondeling ingetrokken bezwaren formeel niet juist is, biedt de Belastingdienst bezwaarmakers de mogelijkheid om terug te komen op de mondelinge intrekking. Deze mogelijkheid geldt voor bezwaren die voor oktober 2016 telefonisch zijn ingetrokken en waarvan de intrekking niet door de indiener schriftelijk is bevestigd. De Belastingdienst zal het bezwaar dan alsnog inhoudelijk behandelen. Wie daarvoor in aanmerking wil komen moet zich melden bij de Belastingdienst. Dat kan telefonisch, via de Belastingtelefoon.

Lees meer

Bedragen minimumloon en premiepercentages 2017

  22-12-2016

De bedragen van het minimumloon worden ieder half jaar aangepast. Per 1 januari 2017 gelden de volgende bruto bedragen exclusief vakantietoeslag per leeftijdsgroep.

Minimumloon
leeftijd

 per maand

 per week

 per dag

23 jaar en ouder  € 1.551,60  € 358,05  € 71,61
22 jaar  € 1.318,85  € 304,35  € 60,87
21 jaar  € 1.124,90  € 259,60  € 51,92
20 jaar  € 954,25  € 220,20  € 44,04
19 jaar  € 814,60  € 188,00  € 37,60
18 jaar  € 706,00  € 162,90  € 32,58
17 jaar  € 612,90  € 141,45  € 28,29
16 jaar  € 535,30  € 123,55  € 24,71
15 jaar  € 465,50  € 107,40  € 21,48

Voorgestelde maatregelen per 1 juli 2017
Er ligt een voorstel om de wettelijke minimumjeugdlonen te verhogen, voor de eerste keer per 1 juli 2017. Volgens dit voorstel wordt de leeftijd waarop werknemers recht krijgen op het volledige minimumloon dan verlaagd van 23 naar 22 jaar

Onderstaande tabel bevat de premiepercentages voor volks- en werknemersverzekeringen per 1 januari 2017.

2016

2017

AOW 17,9% 17,9%
Anw 0,6% 0,1%
Wlz 9,65% 9,65%
WAO/WIA basis (Aof) 5,88% 6,16%
Whk-rekenpremie 1,12% 1,16%
Awf 2,44% 2,64%
Zvw werknemers 6,75% 6,65%
UFO 0,78% 0,78%
Sectorfonds, gemiddeld 1,78% 1,36%
Vervangende sectorpremie 2,16% 1,77%
Werkgeversbijdrage kinderopvang 0,5% 0,5%
Zvw anderen dan werknemers 5,5% 5,4%
Maximum premieloon werknemersverzekeringen € 52.763 € 53.701

 

Lees meer

Stemming afschaffing pensioen in eigen beheer uitgesteld

  21-12-2016

De Eerste Kamer heeft op verzoek van de staatssecretaris van Financiën de stemming over het wetsvoorstel Wet uitfasering pensioen in eigen beheer en overige fiscale pensioenmaatregelen uitgesteld. De aanleiding voor het verzoek om uitstel is het risico dat het wetsvoorstel in zijn huidige vorm de staat veel geld gaat kosten. De staatssecretaris is bang dat veel bv’s de opgebouwde pensioenaanspraken voor de afkoop of omzetting indexeren ten laste van de fiscale winst. Op dit moment is niet duidelijk wat de effecten daarvan kunnen zijn. De staatssecretaris heeft aangekondigd dat er een novelle zal worden voorbereid waarin eventuele maatregelen worden opgenomen en waarin een gewijzigde datum van inwerkingtreding zal worden voorgesteld. Een novelle is een wetsvoorstel om een wetsontwerp dat bij de Eerste Kamer ligt aan te passen.

De vraag is wat de gevolgen zullen zijn voor het wetsvoorstel.

Lees meer

Wanneer geldt het lage tarief overdrachtsbelasting?

  15-12-2016

Bij de Hoge Raad zijn meerdere procedures aanhangig over de vraag of het verlaagde tarief van de overdrachtsbelasting voor woningen van toepassing is. De Advocaat-generaal (AG) heeft aan deze procedures enkele conclusies en een gemeenschappelijke bijlage bij de conclusies gewijd. Naar zijn mening is de bouwkundige bestemming van een onroerende zaak in eerste aanleg bepalend voor het tarief. De onroerende zaak hoeft niet bewoond te worden en zelfs niet bewoonbaar te zijn. De bestemming door de gemeente van een onroerende zaak is alleen van belang wanneer na beoordeling van de bouwkundige bestemming, eventueel na verbouwing, nog twijfel bestaat over de kwalificatie.

Bij de levering van een onroerende zaak moet de verkrijger overdrachtsbelasting betalen. Het reguliere tarief van de overdrachtsbelasting bedraagt 6%. Voor woningen geldt een verlaagd tarief van 2%. Het verlaagde tarief gold aanvankelijk tijdelijk, als stimulans voor de vastgelopen woningmarkt. Inmiddels is het verlaagde tarief voor woningen structureel geworden. De Wet belastingen van rechtsverkeer, waarin de overdrachtsbelasting is geregeld, bevat geen definitie van het begrip woning. Een verwijzing in de wet of in de parlementaire geschiedenis naar andere wetten of regelgeving ontbreekt. Als uitleg is in de parlementaire geschiedenis gegeven dat het verlaagde tarief van toepassing is op een onroerende zaak, die naar zijn aard bestemd is voor bewoning. Het feitelijke gebruik van een onroerende zaak ten tijde van de verkrijging doet volgens de wetsgeschiedenis weinig ter zake.

Volgens de AG is het verlaagde tarief van toepassing als de bouwkundige aard van een onroerende zaak objectief op een woonfunctie wijst. De bouwkundige aard kan blijken uit het oorspronkelijke ontwerp, de oorspronkelijke bouw, eventuele (ingrijpende) latere verbouwingen, de indeling en aanwezigheid van voorzieningen en de geschiktheid voor bewoning. Wanneer een onroerende zaak bouwkundig gezien meerdere delen met verschillende bestemmingen, zoals een woon/winkelpand of een pand met een woon- en een bedrijfsgedeelte, dan moet de koopprijs gesplitst worden en geldt alleen voor de waarde van het woongedeelte het verlaagde tarief.

Lees meer

Kamervragen handhaving wet deregulering beoordeling arbeidsrelaties

  15-12-2016

De staatssecretaris van Financiën heeft Kamervragen over de voortdurende onzekerheid over het uitstel van handhaving van de Wet deregulering beoordeling arbeidsrelaties (Wet DBA) beantwoord. De staatssecretaris heeft toegezegd dat tot 1 januari 2018 geen naheffingsaanslagen of boetes worden opgelegd, behalve in duidelijke gevallen van kwaadwillendheid. Op de website van de Belastingdienst heeft een uitleg daarvan gestaan die niet aansloot bij de mededelingen van de staatssecretaris aan de Tweede Kamer. De tekst op de website is inmiddels aangepast. De Belastingdienst hanteert geen andere definitie van kwaadwillendheid, maar heeft geprobeerd de tekst van de staatssecretaris publieksvriendelijk te vertalen.

De staatssecretaris benadrukt dat de Wet DBA niemand in een bepaalde richting dwingt. Partijen kunnen zelf bepalen hoe en onder welke voorwaarden zij een arbeidsrelatie inrichten. Er hoeft geen gebruik gemaakt te worden van een intermediair, payrolling of van een eigen bv om zekerheid vooraf te kunnen krijgen over de fiscale merites van een arbeidsverhouding.

Lees meer

Europese Commissie wil laag btw-tarief e-boeken mogelijk maken

  15-12-2016

De Europese Commissie heeft een aantal voorstellen gepubliceerd die betrekking hebben op de omzetbelasting. Het gaat om nieuwe regels voor bedrijven die online goederen verkopen. Die moeten het eenvoudiger maken dat deze bedrijven hun btw-verplichtingen in de EU op één plaats kunnen nakomen. De Commissie wil de regels voor start-ups en micro-ondernemingen, die online verkopen, vereenvoudigen door de btw over grensoverschrijdende omzetten tot € 10.000 in het binnenland af te handelen. Voor grensoverschrijdende verkopen tot € 100.000 komen eenvoudigere procedures. De Commissie stelt maatregelen voor ter bestrijding van btw-fraude van buiten de EU en wil de lidstaten de mogelijkheid bieden om verlaagde btw-tarieven te hanteren voor e-publicaties zoals e-boeken en onlinekranten.

De voorstellen worden nu ter raadpleging aan het Europees Parlement en ter goedkeuring aan de Raad van Europa voorgelegd.

Lees meer

Aan- en verkoop van motorboten was werkzaamheid

  08-12-2016

De in- en verkoop van enkele motorboten als nevenactiviteit heeft fiscale gevolgen gehad voor een ondernemer. Aan de drie vereisten voor een bron van inkomen was voldaan. Er was sprake van deelname aan het economisch verkeer, met het oogmerk om voordeel te behalen en de verwachting dat het voordeel zou worden behaald. De rechtbank vond niet aannemelijk dat de transacties in de privésfeer plaatsvonden, gezien het korte tijdsverloop tussen de verschillende aan- en verkopen. De verkoper van de boten voerde tevergeefs aan dat hij de boten uit liefhebberij had gekocht en weer verkocht als hij een andere boot wilde. Niet alleen werd een navorderingsaanslag inkomstenbelasting opgelegd waarbij de opbrengst van de verkopen als resultaat uit werkzaamheid werd aangemerkt, maar ook werd een naheffingsaanslag omzetbelasting opgelegd. De rechtbank vond dat sprake was van ondernemerschap voor de omzetbelasting, omdat zelfstandig een economische activiteit werd verricht. Een van de argumenten daarvoor was dat de verkoper reclame had gemaakt voor de boten op het internet.

Lees meer

Geen bijtelling aangegeven, hof vernietigt opgelegde boete

  08-12-2016

Hof Den Haag heeft de aan een ondernemer opgelegde vergrijpboete vernietigd. De ondernemer had in zijn aangiften inkomstenbelasting geen rekening gehouden met privégebruik van zijn bestelauto. Het hof vond dat de inspecteur niet aannemelijk had gemaakt dat het aan grove schuld van de ondernemer was te wijten dat aanvankelijk te weinig belasting was geheven.

De opgelegde navorderingsaanslagen ter correctie van het achterwege laten van de bijtelling bleven in stand. De ondernemer had geen rittenregistratie bijgehouden. Naar zijn mening was de bestelauto door aard of inrichting uitsluitend geschikt voor het vervoer van goederen, maar het hof accepteerde die opvatting niet. Het enkele feit dat de achterbank of de bijrijdersstoel vuil is, beperkt de inzet van een bestelauto niet tot het vervoer van goederen. De boekhouder van de ondernemer verstrekte de voor het doen van aangifte benodigde gegevens aan de belastingadviseur. Die stelde de aangifte op en diende hem in. De belastingadviseur wist dat de ondernemer een bestelauto had, maar verwerkte geen bijtelling voor het privégebruik van de bestelauto in de aangifte. Volgens het hof hoefde de ondernemer zich niet te verdiepen in de regeling inzake de bijtelling voor privégebruik van een bestelauto.

Lees meer